• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Raad van State noemt dubbelfuncties 'ongelukkige gang van zaken'

De Kamer vroeg de Raad van State of dubbelfuncties in strijd met de Grondwet zijn. De Raad van State vond van niet. Er was hooguit sprake van een ongelukkige gang van zaken.

Sinds het Kabinet-Rutte in januari demissionair werd, zijn er verschillende nieuwe ministers en staatssecretarissen benoemd. Dilan Yeşilgöz, Steven van Weyenberg en Dennis Wiersma werden na de verkiezingen van maart eerst benoemd als Kamerlid en vervolgens als staatssecretaris. De vraag was al snel of zo'n combinatie volgens de Grondwet toegestaan is.

Op 13 augustus beantwoordde minister-president Rutte vragen hierover van de SP-Kamerleden Marijnissen en Leijten. Rutte bleef bij zin eerdere standpunt. Het antwoord kwam er in het kort op neer dat de uitzondering in artikel 57 lid 3 Gw 'zodanig geformuleerd [was] dat deze zowel op zittende bewindspersonen als op nieuw te benoemen bewindspersonen ziet'.
Dit antwoord lokte van verschillende kanten commentaar uit, zowel voor als tegen deze opvatting. Met name ging het over het aspect dat de drie staatssecretarissen als lid van de Tweede Kamer zich zelf als staatssecretaris moesten controleren.

Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde op 24 augustus 2021 in met een verzoek van SGP-Kamerlid Roelof Bisschop om de Raad van State ‘voorlichting’ te vragen over de interpretatie van artikel 57 van de Grondwet inzake verenigbaarheid van functies met lidmaatschap van de Kamer.

Op 1 september 2021 kwam de Raad van State met zijn voorlichting over de verenigbaarheid van de functies van minister en staatssecretaris met het Kamerlidmaatschap. Naast art. 57 Gw betrok de raad de artikelen X1 en X3 van de Kieswet en de reglementen van Orde van de Tweede Kamer en de ministerraad.
De Raad van State vroeg zich met name af of de collectieve ontslagaanvraag van het kabinet ook geldt voor degenen die later toetreden tot het demissionaire kabinet. Deze vraag werd bevestigend beantwoord: ‘Op het moment dat de staatssecretarissen werden benoemd tot het demissionaire kabinet, was hun ontslag ook al aangeboden’.

Op basis van art. 57 Gw zou de drie staatssecretarissen lid van de Tweede Kamer kunnen blijven. De Raad van State stelde op dit punt vast:
Er is niet voldoende grond om te concluderen dat in de gegeven omstandigheden de continuering van het Kamerlidmaatschap van de drie betrokken Kamerleden met die grondwetsbepaling in strijd is. Het is gelet op de aard van de materie - het Kamerlidmaatschap - primair aan de Tweede Kamer om desgewenst nader te besluiten.

Samengevat kwam het standpunt van de Raad van State op het volgende neer:

  • De Grondwet laat juridisch ruimte voor de combinatie van functies.
  • De grondwettelijke complicaties van de recente benoemingen lijken niet tijdig en niet voldoende grondig te zijn onderkend.
  • De voorzitter van de Tweede Kamer had kunnen ingrijpen, maar heeft dat niet gedaan.
  • Het is aan de Tweede Kamer zelf om hierover desgewenst verder te beslissen, want alleen de Tweede Kamer gaat over het lidmaatschap van de Kamer.
  • Omdat de bepalingen in de Grondwet en de Kieswet blijkbaar verschillend kunnen worden uitgelegd, adviseert de Raad van State om dit onderwerp grondig te bestuderen en te verduidelijken.

Een dag na het advies van de Raad van State schreven de drie staatssecretarissen dat er weliswaar geen sprake was van onverenigbaarheid van functies, maar dat er inmiddels toch discussie over was ontstaan. Omdat de Raad van State adviseerde om de wet op dit punt te verduidelijken, schreven ze hun Kamerzetel direct op te geven.

 

Nieuwsarchief

Uitgelicht

Democratische rechtsorde

Op 2 juni 2022 hield Herman Tjeenk Willink in de Gotische Zaal van de Raad van State de lezing ‘Tot zover ben ik gekomen’. De oud vice-president van de Raad van State begon zijn publiek te vertellen dat ze niets nieuws zouden horen. Wat hij ging zeggen, zei hij al heel lang, maar er werd tot u toe niet naar hem geluisterd.

Zoals het nu gaat, gaat het mis, hield Herman Tjeenk Willink zijn toehoorders voor:
Het functioneren van de overheid zelf holt de democratische rechtsorde uit die ook een sociale rechtsorde pretendeert te zijn. Daarvan worden burgers die van de overheid afhankelijk zijn, zij die het niet zo goed getroffen hebben, als eersten het slachtoffer. [...]
Burgers zijn de laatste veertig jaar onzeker geworden over wat zij van de overheid mogen verwachten. De sociale grondrechten, ‘kernverantwoordelijkheden’ van de overheid, werden in 1983 met algemene stemmen in de Grondwet opgenomen, maar speelden de afgelopen 35 jaar in het politieke debat nauwelijks een rol. Het besef dat de klassieke en sociale grondrechten met elkaar verband houden, niet voor niets in één hoofdstuk zijn opgenomen, lijkt te zijn verdwenen. (29.06.22)

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Pas verschenen

boeken

 

 

Prof. mr. A.W. Heringa e.a.
Staatsrecht

Onlangs verscheen de veertiende druk van Staatsrecht dat in 1972 voor het eerst verscheen onder de titel Compendium van het Staatsrecht en geschreven werd door T. Koopmans. Inmiddels is dit compendium uitgegroeid tot een standaardwerk van 660 pagina’s. Auteurs Aalt Willem Heringa, Luc Verhey en Wytze van der Woude hebben hun Staatsrecht voor de nieuwe druk flink onder handen genomen en met name de structuur van het boek drastisch gewijzigd. Vanuit het staatsrecht hebben de auteurs hebben geprobeerd constitutionele kwesties te beschrijven in hun maatschappelijke context.

CoverStaatsrecht

Kijk hier voor meer nieuwe publicaties

 

 

Knipoog

Doe eenen ander niet...

In 1798 kreeg Nederland zijn Staatsregeling voor het Bataafsche Volk. Artikel 6 van deze eerste Nederlandse grondwet luidde:
Alle de pligten van den Mensch in maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige Wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zoo veel goeds, als gij, in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.

Al wekenlang bivakkeren ‘anderen’ in de buitenlucht van Ter Apel. Een goed moment om je te realiseren dat dit artikel 6 bijna 225 jaar na dato nog niets aan zeggingskracht verloren heeft.
(Eerlijkheid gebiedt overigens om hier meteen aan toe te voegen dat het bewuste artikel in de volgende Staatsregeling 1806 alweer verdwenen was.) (5.09.22)

Bekijk oude afleveringen Knipoog