Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Nieuws

Raad van State wil partijen niet verplichten tot interne partijdemocratie

De Raad van State heeft een zogeheten voorlichting geschreven over een voorstel van D66 en GroenLinks-PvdA dat interne partijdemocratie verplicht wil stellen voor politieke partijen. De raad pleit voor een regeling zonder uitdrukkelijke sancties.

Op verzoek van een minister of van de Tweede of Eerste Kamer kan de Afdeling advisering van de Raad van State voor een zogeheten voorlichting zorgen over zaken rond wetgeving en bestuur. Aanleiding is doorgaans onduidelijkheid over de doorwerking van bepaalde voorstellen en mogelijk zelfs strijdigheid ervan met internationaal recht of grondrechten.

Joost Sneller (D66) en Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA) willen met hun amendement aan de Wet op de politieke partijen regels toevoegen rond de interne democratie van politieke partijen. Partijen zouden verplicht moeten zijn om leden te hebben die bijvoorbeeld kunnen beslissen over een partijprogramma en een kandidatenlijst. De nog op te richten Nederlandse autoriteit voor politieke partijen moet toezicht uitoefenen op de interne partijdemocratie. Als een politieke partij niet aan deze regels voldoet, zou er een verbod op het deelnemen aan de verkiezingen moeten kunnen volgen. Zo’n sanctie zou gevolgen hebben voor een partij als de PVV die slechts één natuurlijke persoon als lid heeft, namelijk Geert Wilders.

De Raad van State stelt dat de Grondwet weliswaar ruimte biedt om de interne organisatie van politieke partijen wettelijk te regelen, maar dat een grote mate van vrijheid voor politieke partijen essentieel is voor een goede werking van de democratie. Soms echter kan het beperken van die vrijheid noodzakelijk zijn om de democratie te beschermen.
Volgens de Raad van State wordt in het voorstel van Sneller en Tseggai onvoldoende uitgelegd ‘wat de voor- en nadelen zijn van wettelijke regulering van de interne organisatie van politieke partijen en waarom gelet op de daarmee beoogde doelstellingen de voorgestelde beperkingen van het recht van vereniging en het passief kiesrecht noodzakelijk en proportioneel zijn’.
De Raad van State vraagt zich af of uitsluiting van deelname aan de verkiezingen wel een passende sanctie is. Zo’n maatregel vindt men op dit moment een te vergaande beperking van het passief kiesrecht. De Raad van State geeft daarom in overweging om daarvan op dit moment af te zien.

Ook het verbod om met een blanco lijst - dus als eenling zonder partijnaam - aan de verkiezingen deel te nemen maakt onderdeel uit van het voorstel. Door met zo’n blanco lijst mee te doen zou een politicus de regels van de Wet op de politieke partijen kunnen omzeilen, aldus de indieners.
De Raad van State omschrijft zo’n verbod als ‘een uit grondrechtelijk oogpunt ingrijpende beperking van het passief kiesrecht’. Men vraagt zich bovendien af of je hiermee niet via een omweg een nieuwe staatsrechtelijke regel invoert die het recht om kandidaten te stellen exclusief aan politieke partijen geeft.

In een eerste reactie hebben de initiatiefnemers aangegeven verder te zullen werken aan hun plan en de mogelijkheden te zullen nagaan om in een aangepast voorstel rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State.

De kritiek van de Raad van State maakt het op dit moment onzeker of de voorgestelde wijziging van de Wet op de politieke partijen op dit moment op voldoende steun in het parlement kan rekenen.

Volledige tekst Voorlichting Raad van State

Uitgelicht

Rechter als schuldige

In februari zette de rechter een streep door een inreisverbod voor drie conservatieve islamitische predikers dat de ministers Faber en Van Weel hadden uitgevaardigd. Minister Faber noemde de uitspraak van de rechter  'een zwarte dag’, Van Weel had het over 'een teleurstellende uitkomst'. De rechter werd in de socials zwaar onder vuur genomen.

Voorzitter Marc Flierstra van de Vereniging voor Rechtspraak hekelde in Trouw van 25 februari 2025 de reactie van beide ministers: ‘Door dit soort uitspraken denken mensen dat het door deze rechter komt dat de haatpredikers Nederland in mochten. De ministers zijn zo medeschuldig aan het creëren van een klimaat waarbij deze rechter als schuldige wordt gezien. Het probleem lag bij het besluit van de ministers. Die hebben hun huiswerk niet goed gedaan. Als je dat nalaat, moet je vervolgens niet verbaasd zijn als een rechter gewoon zijn werk doet en oordeelt: Zo kan het niet. (06.04.2025)

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

 Schimmelpeninck

Hans Verbeek

De vergeten minister-president

Hans Verbeek beschrijft het leven van Gerrit Schimmelpenninck (1794-1863), zoon van Rutger Jan Schimmelpenninck die in de Franse tijd staatshoofd van Nederland was. Zelf werd Gerrit Schimmelpenninck in 1848 de eerste minister-president van Nederland, zij het slechts twee maanden. Hij was in 1848 de grote tegenstander van Thorbecke bij het tot stand komen van de nieuwe grondwet.
Hans Verbeek wil in zijn boek het beeld nuanceren van de progressieve liberaal Thorbecke tegenover een conservatieve graaf Schimmelpenninck die niets van grondwetswijzigingen wilde weten. Aan de hand van een reconstructie van de gebeurtenissen in 1848 beschrijft Verbeek de opkomst en ondergang van deze markante man. (20.04.2026)

ISBN 9789044660586, Prometheus Amsterdam, 2026

Lees meer over nieuwe boeken!

 

Knipoog

Het voorkomen van het kwaad

Bij de behandeling van de asielwetten in de Eerste Kamer in april 2026 kwam ook de functie van de Eerste Kamer weer eens uitgebreid aan de orde. Een discussie die al in 1848 ontstond toen de liberale coryfeeën Johan Rudolph Thorbecke en Dirk Donker Curtius het volkomen oneens bleken over de toekomst van de Eerste Kamer.

Bij zijn pogingen om de Nederlandse staatsinrichting te hervormen was Thorbecke in 1848 stellig van plan om de Eerste Kamer op te heffen. Hij noemde deze ‘zonder grond en doel’.
Dat dat niet lukte, moet op het conto van minister Donker Curtius worden geschreven. In zijn biografie De man van 1848 over Dirk Donker Curtius schrijft Mathijs van de Waardt over deze kwestie (pag. 246):

Donker zocht in de Eerste Kamer een instelling voor 'bedaarde overweging'. De Eerste Kamer was 'een waarborg tegen overijling, eene beperking van hartstogten in onrustige tijden, een bolwerk voor de troon' en daarnaast 'een krachtigen steun der wet'.
Dat de Kamer zelf niet veel bewerkstelligde, maar een waarborg was, was voor Donker evident. Hij benadrukte nog eens ‘dat in het algemeen het nut eener Eerste Kamer, hoe ook zamengesteld, meer gelegen is in het voorkomen van het kwaad dan in het stichten van het goede.
(20.04.2026)

Bekijk oude afleveringen Knipoog