De Raad van State heeft een zogeheten voorlichting geschreven over een voorstel van D66 en GroenLinks-PvdA dat interne partijdemocratie verplicht wil stellen voor politieke partijen. De raad pleit voor een regeling zonder uitdrukkelijke sancties.
Op verzoek van een minister of van de Tweede of Eerste Kamer kan de Afdeling advisering van de Raad van State voor een zogeheten voorlichting zorgen over zaken rond wetgeving en bestuur. Aanleiding is doorgaans onduidelijkheid over de doorwerking van bepaalde voorstellen en mogelijk zelfs strijdigheid ervan met internationaal recht of grondrechten.
Joost Sneller (D66) en Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA) willen met hun amendement aan de Wet op de politieke partijen regels toevoegen rond de interne democratie van politieke partijen. Partijen zouden verplicht moeten zijn om leden te hebben die bijvoorbeeld kunnen beslissen over een partijprogramma en een kandidatenlijst. De nog op te richten Nederlandse autoriteit voor politieke partijen moet toezicht uitoefenen op de interne partijdemocratie. Als een politieke partij niet aan deze regels voldoet, zou er een verbod op het deelnemen aan de verkiezingen moeten kunnen volgen. Zo’n sanctie zou gevolgen hebben voor een partij als de PVV die slechts één natuurlijke persoon als lid heeft, namelijk Geert Wilders.
De Raad van State stelt dat de Grondwet weliswaar ruimte biedt om de interne organisatie van politieke partijen wettelijk te regelen, maar dat een grote mate van vrijheid voor politieke partijen essentieel is voor een goede werking van de democratie. Soms echter kan het beperken van die vrijheid noodzakelijk zijn om de democratie te beschermen.
Volgens de Raad van State wordt in het voorstel van Sneller en Tseggai onvoldoende uitgelegd ‘wat de voor- en nadelen zijn van wettelijke regulering van de interne organisatie van politieke partijen en waarom gelet op de daarmee beoogde doelstellingen de voorgestelde beperkingen van het recht van vereniging en het passief kiesrecht noodzakelijk en proportioneel zijn’.
De Raad van State vraagt zich af of uitsluiting van deelname aan de verkiezingen wel een passende sanctie is. Zo’n maatregel vindt men op dit moment een te vergaande beperking van het passief kiesrecht. De Raad van State geeft daarom in overweging om daarvan op dit moment af te zien.
Ook het verbod om met een blanco lijst - dus als eenling zonder partijnaam - aan de verkiezingen deel te nemen maakt onderdeel uit van het voorstel. Door met zo’n blanco lijst mee te doen zou een politicus de regels van de Wet op de politieke partijen kunnen omzeilen, aldus de indieners.
De Raad van State omschrijft zo’n verbod als ‘een uit grondrechtelijk oogpunt ingrijpende beperking van het passief kiesrecht’. Men vraagt zich bovendien af of je hiermee niet via een omweg een nieuwe staatsrechtelijke regel invoert die het recht om kandidaten te stellen exclusief aan politieke partijen geeft.
In een eerste reactie hebben de initiatiefnemers aangegeven verder te zullen werken aan hun plan en de mogelijkheden te zullen nagaan om in een aangepast voorstel rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State.
De kritiek van de Raad van State maakt het op dit moment onzeker of de voorgestelde wijziging van de Wet op de politieke partijen op dit moment op voldoende steun in het parlement kan rekenen.


