Mag je als overheid oogluikend toezien dat boeren met hun tractoren op de snelweg demonstreren? Staatsrechtdeskundige Paul Bovend’Eert vindt dat het aan het kabinet is om snel met maatregelen te komen die een eind maken aan gevaarlijke verkeerssituaties door demonstranten die op de snelweg niets te zoeken hebben.
Bij een ernstig verkeersongeval op de A59 hebben op 14 augustus 2026 twee mensen het leven verloren. Ze kwamen om het leven in de staart van een file die ontstaan was door protesterende boeren. Tientallen tractoren namen de snelweg om bij het provinciehuis in Den Bosch te protesteren tegen het intrekken van de vergunningen van enkele Brabantse pluimveehouders.
Naar aanleiding van dit noodlottige ongeval is discussie ontstaan over het handhavingsbeleid van het verbod van tractoren op de snelweg. Voorafgaand aan de protestactie was in het nieuws gekomen dat politie de tractoren niet van de snelweg zou halen. Deze afweging zou door de lokale driehoek van burgemeester, Openbaar Ministerie en politie zijn gemaakt. Een woordvoerder van het OM zei bij Omroep Brabant dat de acties van de boeren gefaciliteerd werden op basis van het demonstratierecht, tenzij er onacceptabele situaties zouden ontstaan.
Minister-president Jetten toonde zich later ontevreden over de opstelling van politie en OM. Hij noemde demonstreren op de snelweg ‘onacceptabel en onbegrijpelijk’ omdat het tot zeer gevaarlijke situaties leidt.
Minister Heerma van Binnenlandse Zaken zei te hopen dat de lokale driehoek de zaak lokaal zou evalueren om toekomstige demonstraties in goede banen te leiden. Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid wilde in overleg om tot een landelijke lijn ten aanzien van tractoren op de snelweg te komen.
In een opiniestuk in NRC van 25 augustus 2026 stond emeritus hoogleraar Staatsrecht Paul Bovend’Eert stil bij de vraag wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor het handhaven van de veiligheid op de snelwegen. Hij vindt het ten onrechte dat het Kabinet-Jetten de verantwoordelijkheid bij de lokale driehoek legt, omdat het kabinet primair zelf de verantwoordelijkheid draagt.
Volgens Bovend’Eert liggen de uitgangspunten vast: demonstreren op de snelweg is bij wet verboden en het verbod om op de snelweg te demonstreren is een rechtmatige beperking van het grondwettelijke demonstratierecht.
Het kabinet doet het volgens Bovend’Eert voorkomen alsof deze zaak een aangelegenheid is voor het OM en de lokale autoriteiten:
Niets is echter minder waar. In het Nederlandse rechtssysteem is het OM geen onafhankelijke autoriteit die geheel zelfstandig besluit tot opsporing en vervolging van personen voor strafbare feiten en daartoe de politie aanstuurt. Het OM functioneert onder het gezag van de regering en de minister van Justitie en Veiligheid in het bijzonder. Hij of zij voert daartoe regelmatig overleg met de top van het OM, het College van procureurs-generaal. De minister kan beleidsregels en richtlijnen geven aan het OM en heeft de bijzondere bevoegdheid algemene of zelfs concrete aanwijzingen te geven aan alle leden van het OM om personen te vervolgen of niet te vervolgen. Het OM is geen onderdeel van de onafhankelijke rechtsprekende macht, maar een overheidsdienst onder het gezag van de regering.
Paul Bovend’Eert vindt dat de minister van Justitie en Veiligheid de zaak niet langer mag afschuiven naar de lokale autoriteiten. De minister moet het OM zelf aanwijzingen geven om personen te kunnen vervolgen die dergelijke gevaarlijke verkeerssituaties veroorzaken.


