Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Grondrechten

Artikel 16

In Nederland kun je alleen gestraft worden voor feiten die op dat moment al in de wet strafbaar gesteld worden.

 

TEKST GRONDWET

000000 Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

 

ALGEMENE TOELICHTING

Nulla poena sine lege
Dit artikel is het kortste artikel uit de Grondwet. Het is het oude rechtsbeginsel ‘Nulla poena sine lege’ ofwel ‘Geen straf zonder wet’. Met andere worden: je mag een daad van iemand niet met terugwerkende kracht strafbaar stellen.
Juristen hebben het ook wel over het legaliteitsbeginsel. Letterlijk staat deze tekst ook in art.1 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. In dit verband is ook van belang wat er in het tweede lid van hetzelfde artikel staat: 'Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast'.

De eerste keer dat het legaliteitsbeginsel in moderne vorm in de Nederlandse wetgeving opdook, was in de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk. Daar staat namelijk: 'De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geen terugwerkende kracht'.

Gesundes Volksempfinden
Van tijd tot tijd willen bepaalde groepen burgers gedragingen van anderen aanpakken die wettelijk niet strafbaar gesteld zijn, maar die kennelijk bij deze burgers de nodige weerzin wekken. ‘Men’ vindt dat iets niet kan en dus moet dat bestraft worden. Met zulke overwegingen begeef je je op gevaarlijk terrein en art. 16 Gw wil ons daar vandaan houden.

Als het ‘gezonde verstand’ het voor het zeggen krijgt, kan dat snel leiden tot situaties die in een democratie niet wenselijk zijn. Het begrip ‘gesundes Volksempfinden’ associëren we met Nazi-Duitsland. Hitler en de zijnen voerden het aan toen in Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 de bezittingen van de Duitse joden geplunderd werden en vele tientallen de dood vonden. Het Duitse volk zou het gedrag van de joden zat zijn. Als ‘das gesunde Volksempfinden’ wilde dat iemand gestraft diende te worden, dan moest dat kunnen.
In Nazi-Duitsland werd het ‘gesundes Volksempfinden’ min of meer een rechtsbron in het strafrecht. Zo ver kwam het in Nederland tijdens de Duitse bezetting nog net niet. Het legaliteitsbeginsel dat op dit moment in art. 1 Wetboek van Strafrecht stond, werd niet geschrapt. Wel werd er de volgende passage aan toegevoegd: 'Valt een feit niet onder den tekst, doch wel onder de grondgedachte van een wettelijke strafbepaling, zoo is de strafbepaling toepasselijk, indien het feit naar gezond rechtsgevoel strafwaardig is'.
Vervolgens was het dus aan de rechter om te oordelen wat het gezonde rechtsgevoel inhield, en welke en hoeveel straf er op zou moeten staan.

 

ACTUEEL

RECHTERS STELLEN PREJUDICIËLE VRAGEN AAN HOGE RAAD

Met ingang van 1 oktober 2022 hebben rechtbanken en gerechtshoven ook in strafzaken de mogelijkheid om zogeheten prejudiciële vragen aan te stellen aan de Hoge Raad over de uitleg van bepaalde rechtsregels. Deze mogelijkheid bestond al een aantal jaren in civiele zaken en belastingzaken.

In de praktijk gaat het hier om juridische vragen in concrete zaken waar de Hoge Raad in zijn jurisprudentie nog geen uitspraak over heeft gedaan.

Ook in de relatie van het Nederlands recht en het Europees recht bestaat de mogelijkheid van prejudiciële vragen. De Hoge Raad kan bij het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens alvast te peilen welke kant een zaak voor de Europese rechter op zal gaan.

 

VOORBEELD PREJUDICIËLE VRAAG: DE OMVANG VAN PROCESSTUKKEN

Op 3 juni 2022 deed de Hoge Raad uitspraak naar aanleiding van een prejudiciële vraag of een rechter bevoegd is beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken. De Hoge Raad oordeelde dat het stellen van een limiet aan de omvang van de processtukken een legitiem doel dient.

Een omvang van 15 bladzijden lijkt volgens de Hoge Raad in verreweg de meeste zaken toereikend. Het Procesreglement Dagvaardingszaken blijkt hieromtrent zelfs aanvullende regels te bevatten: A4-formaat, marges tenminste 2,5 cm, courant lettertype (Times New Roman, Courier of Arial), minimale lettergrootte 11 punten, minimale regelafstand 1.

Bovendien bestaat er de mogelijkheid om in rechtszaken toestemming te krijgen voor het indienen van een langer stuk.

Vrij snel na het beantwoorden van deze prejudiciële vraag maakte de Alkmaarse kantonrechter John Reed (bekend als ‘Rijdende Rechter’) er gebruik van in twee zaken die een eigenaresse van een appartement had aangespannen tegen haar VVE. Deze zou nalatig zijn geweest om vochtproblemen in haar appartement te verhelpen. Om haar zaak kracht bij te zetten overlegde de vrouw de rechter per zaak een dossier van zo’n duizend pagina’s.

Onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zei de rechter dat hij de zaak pas in behandeling ging nemen als de processtukken werden terugbrengen tot maximaal tien pagina’s per zaak. Mocht de vrouw hier niet aan voldoen, dan zei de rechter te doen ‘wat hem geraden voorkomt’.

 

Vrouwe Justitia 7 KLEINJURISPRUDENTIE

KLASSIEKE UITSPRAAK:
HET ELE
KTRICITEITS-ARREST

Het Nederlandse staatsrecht kent een aantal klassieke uitspraken van rechterlijke colleges waar jaren later nog steeds op wordt teruggegrepen. Een ervan is dit Elektriciteits-arrest uit 1921.

De beroemdste zaak in het Nederlandse recht rond het legitimiteitsbeginsel ging over de diefstal van ‘elektrische energie’. Verdachte in deze zaak was een 43-jarige tandarts uit Den Haag die herhaaldelijk een breinaald gebruikte om zijn elektriciteitsmeter een tijdje stil te zetten. Gevolg was dat een deel van zijn elektriciteitsverbruik niet geteld werd.

De tandarts werd ‘diefstal meermalen gepleegd’ ten laste gelegd conform art. 310 Wetboek van Strafrecht. Het artikel zegt dat iemand die ‘enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen’ schuldig is aan diefstal.
De tandarts werd door de rechtbank en in hoger beroep tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld. Vervolgens werd de zaak aan de Hoge Raad voorgelegd.

De vraag waar de Hoge Raad antwoord op moest geven was: kun je elektriciteit in strafrechtelijke zin als ‘enig goed’ kwalificeren?
De Hoge Raad beantwoordde deze vraag positief: het aftappen van elektriciteit was diefstal:
Artikel 310 heeft ten doel het vermogen te beschermen. Het duidt op geenerlei wijze nader aan wat onder 'enig goed' verstaan moet worden. Electrische energie moet op grond van haar eigenschappen daartoe worden gerekend. (...) De omstandigheden, waaronder requirant zich de electrische energie heeft toegeëigend, stempelen het feit tot diefstal: eerst doordat hij een lamp of motor inschakelde ging de electrische energie in zijn macht over. Het tot zich nemen van electrische energie in strijd met de voorwaarden waaronder de gemeente daartoe het recht gaf, levert wederrechtelijke toeëigening op.

Veel juristen hadden kritiek op deze uitspraak van de Hoge Raad, omdat hij op gespannen voet zou staan met het legaliteitsbeginsel. In hun ogen had de Hoge Raad met het nodige kunst- en vliegwerk het aftappen van elektriciteit onder het in art. 310 Wetboek van Strafrecht genoemde 'enig goed' weten te brengen. Een aantal van hen wees erop dat de Duitsers in 1900 het aftappen van elektriciteit al strafbaar gesteld hadden.

 

DE TONGZOEN-ARRESTEN UIT 1998 EN 2013

Een gedwongen tongzoen geldt volgens de Hoge Raad sinds 2013 niet meer als een verkrachting. Met deze uitspraak kwam de raad terug op zijn oordeel uit 1998 dat zei dat 'seksueel binnendringen van het lichaam' en dus ook een tongzoen moest worden gezien als verkrachting. Op dat oordeel was kritiek toen veel kritiek gekomen en de Hoge Raad heeft zich die kritiek kennelijk aangetrokken.

Het Tongzoen I-arrest
Bij het eerste Tongzoen-arrest in april 1998 oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin een 46-jarige man een mannelijke kennis tegen zijn wil een tongzoen had gegeven. Het gerechtshof in Den Haag had de man eerder wegens verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De Hoge Raad bevestigde deze uitspraak.
Centraal in het vonnis stond de term ‘seksueel binnendringen’ in art. 242 Wetboek van Strafrecht waarin verkrachting strafbaar is gesteld. Volgens de Hoge Raad was er bij elk binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking sprake van ‘seksueel binnendringen’. De wetgever heeft geen beperking willen aanbrengen in de wijze waarop dat gebeurt en dat betekende volgens de Hoge Raad dat ook minder ernstige vormen van binnendringen als ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit worden ervaren.

Na het vonnis werden er nogal wat vraagtekens gezet bij het consequent doorredeneren van de Raad van State op het punt van het seksueel binnendringen. Mag je een betrekkelijk onschuldige tongzoen eigenlijk wel op één lijn zetten met gedwongen geslachtsgemeenschap?

Tongzoen II-arrest
Toen een man uit Harlingen in december 2008 in het ziekenhuis in Leeuwarden een schoonmaakster een tongzoen gaf, was de basis voor het tweede Tongzoen-arrest gelegd. In december 2011 deed het Gerechtshof in Leeuwarden in beroep uitspraak in de zaak. Het hof ging uit net als de Raad van State tien jaar daarvoor uit van verkrachting en legde de man een voorwaardelijke celstraf van vier maanden op en een werkstraf van 240 uur.
Vervolgens legde de Harlinger de zaak voor aan de Raad van State. Deze kwam in 2013 met haar uitspraak en kwam daarmee terug op haar eerdere interpretatie van art. 242.
De Raad van State stelde zich nu op het standpunt dat een tongzoen beschouwen als verkrachting strijdig was met het algemene taalgebruik. De raad voegde eraan toe dat een veroordeling voor verkrachting vanwege een tongzoen in de maatschappij als onrechtvaardig ervaren werd en dat de vermelding van een verkrachting op een strafblad grote maatschappelijke gevolgen heeft.
De Raad van State kwam tot het eindoordeel dat iemand dwingen tot een tongzoen strafbaar blijft, maar het zou onder aanranding moeten vallen in plaats van onder verkrachting. De zaak moest worden heropend.

 

EUROPEES RECHT

 

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 48-50 Hv: Nadere bepalingen over zaken als het vermoeden van onschuld en het niet twee keer voor hetzelfde misdrijf mogen worden veroordeeld

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 7   Net als onze Grondwet bevat ook dit artikel het principe 'Geen straf zonder wet'. Jurisprudentie laat zien dat de rechter een wet die terugwerkende kracht geeft aan een strafbepaling, buiten werking kan stellen.

 

Uitgelicht

Liggen onze grondrechten écht vast?

NRC had op 29 december 2023 een interview met Bart Jan van Ettekoven, die stopt als voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stond in het artikel onder andere stil bij de belangstelling voor de Grondwet en grondrechten en de ideeën rond constitutionele toetsing.
Van Ettekoven stelde dat in de Nederlandse Grondwet klassieke grondrechten, als vrijheid van meningsuiting, recht op privacy en het discriminatieverbod, weliswaar uitstekend verwoord zijn, hij voegde er echter onmiddellijk een ‘maar’ aan toe:
‘De Grondwet zelf maakt het mogelijk dat die grondrechten bij wet kunnen worden beperkt, via een wet die door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen. We hebben dus een stelsel van grondrechten waarop je met een wetje inbreuk kunt maken. Dus jawel, we hebben vrijheid van meningsuiting, maar we kunnen het wettelijk zo regelen dat burgers daar geen gebruik van kunnen maken. Keurig gedaan, staatsrechtelijk volgens de regels. Maar niet in orde. Laten we ervoor zorgen dat we internationaalrechtelijk niet door de bodem zakken.’ (03.01.2024)

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

gogel

Jan Postma
Alexander Gogel (1765-1821)
Grondlegger van de Nederlandse staat

Alexander Gogel was een overtuigd patriot en maakte snel carrière in de Bataafse Republiek en de Franse tijd. Hij staat bekend als de man die het nieuwe financiële systeem van de Bataafse eenheidsstaat organiseerde. Ook was Gogel betrokken bij het opstellen van de Staatsregeling van 1798. Jan Postma schreef enige tijd geleden al weer een lijvige biografie van Alexander Gogel waarin hij hem vanwege zijn verdiensten als ‘Grondlegger van de Nederlandse staat’ bestempelt.
Postma beschrijft Alexander Gogel onder andere als strijdbaar voorstander van de afschaffing van de gilden. Gelijkheid betekende voor Gogel ook een vrije toegang tot alle beroepen. Opmerkelijk was zijn betrokkenheid bij de Nationale Konst-Gallery, de voorloper van het huidige Rijksmuseum. De basis van de collectie vormde de verbeurd verklaarde collectie van voormalig stadhouder Willem V.
(26.10.2023)

Bekijk overzicht nieuwe boeken

Knipoog

Zekerheid en bescherming

In 1798 kreeg Nederland zijn Staatsregeling voor het Bataafsche Volk waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap - de beginselen van de Franse Revolutie - voorop stonden. Van de 23 grondrechten in de Grondwet kwamen maar liefst al 21 in de een of andere vorm in deze eerste staatsregeling voor.
In onze ingewikkelde maatschappij komen de spelregels van de Bataafse Republiek verrassend eenvoudig over. Neem artikel L over de manier waarop de staat met vreemdelingen moet omgaan:
‘De Maatschappij ontvangt alle Vreemdelingen, die de weldaaden der vrijheid vreedzaam wenschen te genieten, in haar midden, verleenende denzelven alle zekerheid en bescherming.’
(25.10.23)

Bekijk oude afleveringen Knipoog