• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Grondrechten

Artikel 23

De overheid moet zorgen voor goed onderwijs. Het geven van onderwijs is voor iedereen in Nederland vrij. De overheid stelt alleen eisen aan de kwaliteit van het onderwijs. Daarnaast moet ze voor voldoende openbaar onderwijs zorgen.

 

TEKST GRONDWET

100000 Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
2 Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
3  Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
4 In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
5 De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
6 Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
7 Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
8

De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.

 

TOELICHTING

Art. 23 Gw is een typisch Nederlands grondrecht dat met zijn voeten stevig in de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving staat. Dit grondrecht is deels klassiek en deels sociaal. In de toelichting per onderdeel hieronder geven we per lid steeds de verschillende invalshoeken aan.

In art. 23 Gw worden eigenlijk drie verschillende vrijheden benoemd:

  • Vrijheid van oprichting
    Als burger ben je vrij om zelf een school te starten.
  • Vrijheid van richting
    Als burger ben je vrij om voor je school een godsdienstig of levensbeschouwelijk uitgangspunt te kiezen.
  • Vrijheid van inrichting
    Als burger ben je vrij om je school te organiseren zoals je wilt (beheer, bestuur, leermiddelen, leerplan, methoden).

Overigens zijn deze vrijheden wel vrijwel geheel ingekapseld in de regels van de overheid. Denk hier onder andere aan het aantal scholen, de ligging, het aantal leerlingen enzovoort.

Uitgangspunt of richting
Opmerkelijk is dat een pedagogisch of didactisch uitgangspunt niet onder de vrijheid van richting valt, maar onder de vrijheid van inrichting. Een voorbeeld is de zogeheten iPad-school waar Maurice de Hond in 2014 in Amsterdam mee startte. Alleen op basis van zo’n uitgangspunt op dit moment nog geen school stichten. Bij het oprichten van een nieuwe school ben je nog steeds verplicht onderdak te zoeken bij een 'richting'. Met andere woorden: je mag jouw iPad-school wél oprichten als je dat bijvoorbeeld doet onder de paraplu van een nieuwe katholieke school. Een vreemde situatie!
(Zie verderop ACTUEEL over de richtingvrije school.)

Horizontale werking
Art. 23 Gw heeft een zogeheten horizontale werking. Zo heeft een bevoegd gezag van een bijzondere school de vrijheid om een bijzondere school in stand te houden. In het verlengde daarvan heeft zo’n bestuur vervolgens ook de vrijheid om bepaalde leerlingen en leerkrachten te weren. De voorwaarden staan vermeld in art. 5 lid 2 van de Algemene wet gelijke behandeling.

Grondwetswijziging samenwerkingsscholen
Afgezien van een wetstechnische aanpassing in 2017 was de laatste inhoudelijke wijziging van art. 23 Gw in 2006. Deze wijziging ging over samenwerkingsscholen. De regering vond het wenselijk om ruimte te bieden aan maatschappelijke initiatieven tot samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de eerste zin van het vierde lid, werd 'aantal scholen' vervangen door 'aantal openbare scholen' en de tweede zin werd 'al dan niet in een openbare school' toegevoegd.
Er bestonden op dat moment al samenwerkingsscholen, maar daarin werd óf uitsluitend openbaar onderwijs óf alleen bijzonder onderwijs gegeven. Vóór de Grondwetswijziging moesten openbare en bijzondere scholen die wilden fuseren, eerst een aparte bijzondere school worden. Een school, waarin zowel openbaar als bijzonder onderwijs wordt aangeboden, paste juridisch niet in ons duale onderwijsbestel. Dat bestel ging sinds 1848 uit van openbaar onderwijs dat op openbare scholen en bijzonder onderwijs dat op bijzondere scholen werd gegeven.

Het regeerakkoord van het Kabinet-Kok I stelde al in 1994 zo’n wettelijke regeling in het vooruitzicht. Het wetsvoorstel haalde de eindstreep echter niet omdat een discussie ontstaan was over de vraag of niet eerst de Grondwet aangepast zou moeten worden. Tijdens de parlementaire behandeling werd dat wetsvoorstel omgebouwd zodat een samenwerkingsbestuur mogelijk werd in de vorm van een stichting die zowel openbare als bijzondere scholen in stand kan houden.

 

TOELICHTING OP ONDERDELEN

Lid 1
Het eerste lid van art. 23 Gw heeft de formulering van een sociaal grondrecht en is dan ook niet ‘in rechte inroepbaar', zoals het zo mooi heet. Het betekent dat je er als burger geen rechten aan kunt ontlenen.
Het noemen van de regering zorgt ervoor dat het lijkt alsof alles op gebied van onderwijs centraal geregeld wordt en dat het niet de ‘zorg’ is van lagere overheden, maar in de praktijk is dat niet het geval. Zo is op gemeentelijk niveau onderwijsbeleid mogelijk mits het niet strijdig is met het landelijke beleid. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken als huisvesting, het bestrijden van onderwijsachterstanden en voorschoolse educatie.
Staatsrechtdeskundigen noemen het opvallend dat in lid 1 van het artikel nog steeds de term 'zorg van de regering' gebruikt wordt van de Grondwet uit 1814 en niet de latere formulering met 'zorg der overheid', zoals bijvoorbeeld in het voorgaande art. 22 Gw. Destijds was het slechte onderwijs georganiseerd door kerkgenootschappen, particulieren en gemeenten de reden dat de regering in 1814 besloot om de verantwoordelijkheid voor het onderwijs centraal te regelen.

Lid 2
Het tweede lid vormt de kern van art. 23 Gw. Het begin van de zin 'het geven van onderwijs is vrij' is kenmerkend voor een klassiek grondrecht. Ging het vóór 1972 over lager en middelbaar onderwijs, in dat jaar werd het domein uitgebreid tot andere vormen van onderwijs. Ook wetenschappelijk onderwijs, schriftelijk onderwijs en zelfs autorijscholen moesten voortaan ook voldoen aan de eisen van de overheid. De Grondwet laat in het midden welke vormen van onderwijs er wel en welke er niet onder vallen. Dat wordt bij gewone wet geregeld.
De Wet toerusting en bereikbaarheid uit 1993 zorgde voor een aantal inhoudelijke problemen rond dit tweede lid. Art. 23 Gw zegt dat het aan een ieder vrij staat om een bijzondere school te stichten, en vervolgens zegt de Wet toerusting en bereikbaarheid dat een school een bepaald aantal leerlingen moet halen om voor bekostiging in aanmerking te komen. In het basisonderwijs is die norm afhankelijk van de grootte van de gemeente. In de afgelopen jaren is die norm behoorlijk verhoogd waardoor de 'vrijheid van stichting' feitelijk drastisch beperkt is.

Lid 3
Het derde lid is een combinatie van een sociaal en klassiek grondrecht. In 1983 is aan 'ieders godsdienst' toegevoegd 'of levensovertuiging'.
Het legt het inhoudelijke hoofdkenmerk van het openbaar onderwijs vast als religieus en levensbeschouwelijk neutraal. Openbare scholen zijn dan ook toegankelijk voor alle kinderen in tegenstelling tot bijzondere scholen die een selectie naar godsdienst of levensbeschouwing kunnen maken.
Een openbare school mag een leerling alleen weigeren als het gaat om:

  • de capaciteit van de school
  • als de leerling een gevaar is voor het onderwijs of de anderen
  • als de leerling extra ondersteuning moet hebben die de school niet kan bieden.

In dergelijke gevallen geeft de gewone wet aan wat er moet gebeuren, bijvoorbeeld meewerken aan plaatsing op een andere school.
Dit derde lid wil niet zeggen dat er op een openbare school geen godsdienstlessen mogen worden gegeven. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt dat dat wel kan tot een maximum van 120 uren per jaar. De overheid is echter niet verplicht dit onderwijs te subsidiëren.

Lid 4
In dit vierde lid worden eisen gesteld aan een goede bereikbaarheid van openbare scholen. De overheid moet ervoor zorgen dat niemand gedwongen is zijn kinderen naar een bijzondere school te sturen. Dat is een moeilijke zaak in een gebied waar onvoldoende leerlingen wonen om een openbare school in stand te houden. In de Wet primair onderwijs staat er binnen tien kilometer een openbare basisschool moet zijn.
In 2006 is dit vierde lid gewijzigd om samenwerkingsscholen mogelijk te maken. In deze wijziging werd in de eerste zin van het vierde lid 'aantal scholen' vervangen door 'aantal openbare scholen'.

Lid 5
Over de eisen die de overheid stelt en die door de onderwijsinspectie worden gecontroleerd, is men het redelijk eens in onderwijsland. Anders is het met het begrip 'richting'. Hier wordt de godsdienstige of levensbeschouwelijke visie van een school bedoeld. Is een evangelische school een richting? Is het boeddhisme een richting? Nee, zei de Onderwijsraad destijds in 2010. Het argument was dat hier de structuur van een zuil ontbreekt zoals je wel ziet bij katholieke en protestantse scholen.
Steeds meer voorstanders van een bepaald pedagogisch of didactisch principe proberen de wet te omzeilen, althans er anders mee om te gaan dan destijds de bedoeling was. Nu gaan voorstanders van een didactisch principe in wijken waar een nieuwe school is gepland, handtekeningen van ouders ophalen om aan de stichtingsnorm te voldoen. Daarbij tellen ze protestants en katholiek bij elkaar op. In 1996 heeft de Onderwijsraad dat al geadviseerd om bij het stichten van scholen niet meer uit te gaan van het begrip 'richting' maar alleen van het aantal handtekeningen van ouders. De Raad van State gaf een negatief advies en de regering trok het wetsvoorstel in.
Eind 2015 deed staatssecretaris Sander Dekker een nieuwe poging om tot een richtingvrije school te komen met zijn voorstel voor een Wet meer ruimte voor nieuwe scholen. Het wetgevingsproces rond dit voorstel moet nog worden afgerond. (Zie verder het bericht in ACTUEEL.)

Lid 6
Dit zesde lid verwoordt sinds 1917 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. De vrijheid van richting geeft een school ook nadrukkelijk de vrijheid om zelf leermiddelen te kopen en eigen leerkrachten te benoemen.

Lid 7
In de loop van de tijd is de financiële gelijkstelling bij gewone wet doorgetrokken naar de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Het zevende lid geeft echter aan dat de wetgever daar op grond van de Grondwet evenwel niet toe verplicht is.

Lid 8
Samen met het eerste lid is dit achtste lid het oudste onderdeel van het huidige art. 23 Gw. Het stamt namelijk uit 1814.

 

GESCHIEDENIS

Franse tijd
Voor het eerst dook Onderwijs in 1793 op in De Fransche Constitutie benevens de Verklaaring der Rechten van den Mensch en van alle Burgers. Artikel 23 - inderdaad ook 23! – zei er  het volgende over:

000000

Het Onderwijs is een vereischte van een ieder, en de Maatschappij behoort uit al haar magt de voordgangen der algemeene reden voor te staan; en het onderwijs binnen het bereik van een ieder Burger te brengen.


In 1797 werd in het Ontwerp van constitutie voor Bataafsche volk door de Nationale Vergadering zelfs een heel hoofdstuk aan onderwijs gewijd (VIII, 2e afd., artikelen 755-771). Vervolgens had de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk in 1798 in artikel 60 aan zestien woorden genoeg:

000000 De maatschappij wil dat de verlichting en beschaaving onder haare Leden zoo veel mooglijk bevorderd worde.

 In de Staatsregeling van 1801 was het begrip onderwijs zelfs geheel verdwenen. Art. 45 had de volgende inhoud:

000000 Het Staats-Bewind zorgt, door eene daartoe geschikte inrichting, voor de bevordering van Kunsten, Wetenschappen, Opvoeding, Koophandel, Landbouw en Fabrieken.

 

In de Grondwet van 1814 werd in art. 140 de basis voor het huidige eerste en achtste lid van ons art. 23 Gw gelegd: resp. de aanhoudende zorg der regering en het verplichte verslag aan de Staten-Generaal.

000000 Ter bevordering van Godsdienst, als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis is het openbaar onderwijs op de hooge, middelbare en lage scholen een aanhoudend voorwerp van de zorge der Regering. De Souvereine Vorst doet van den Staat dier scholen jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

 

Grondwet 1848 en de Schoolstrijd
In 1848 werd in art. 194 van de nieuwe Grondwet van 1848 door de liberaal Thorbecke het klassieke grondrecht 'vrijheid van onderwijs' in de Grondwet opgenomen. Voortaan kregen ouders het recht om op basis van hun godsdienstige overtuiging een school te stichten.
Het nieuwe Grondwetsartikel vormde de start van ons duale onderwijsbestel: openbaar onderwijs van overheidswege (en betaald door de overheid) en bijzonder onderwijs opgezet door particulieren (en ook door hen zelf bekostigd).

Deze verdeling van de middelen zou de basis vormen van de beruchte schoolstrijd die tot 1917 zou duren. De centrale vraag was: moet de staat alsnog ook het bijzonder onderwijs bekostigen? De liberalen verzetten zich hier krachtig tegen en de confessionelen waren er juist zeer voor. Deze tegenstelling tussen liberalen en confessionelen leidde mede tot de oprichting van christelijke politieke partijen.
Het zogeheten Volkspetitionnement van 1878 was een hoogtepunt in de schoolstrijd. Er lag een nieuwe wet in het parlement die zeer ongunstig voor het bijzonder onderwijs leek uit te pakken. Het openbaar onderwijs kreeg betere gebouwen en andere voorzieningen en een lagere leerlingenschaal. Ondanks felle tegenstand kwam de wet door beide kamers.
Vertegenwoordigers van het protestantse volksdeel overhandigden koning Willem III ‘meer dan 300 duizend handtekeningen - of een kruisje, want er waren veel analfabeten onder’, aldus biograaf Dik van der Meulen van Willem III. Naast deze 300 duizend handtekeningen van de protestanten waren er ook nog 165 duizend handtekeningen van rooms-katholieken die een eigen petitie hadden opgesteld.
Zelf noemden de indieners het Volkspetitionnement een 'smeekschrift'. Ze hoopten dat de koning hen zou steunen in hun strijd voor de School met de Bijbel.
Willem III begreep echter dat hij de wil van het parlement moest volgen en zette zijn handtekening onder de wet.

Financiële gelijkstelling in Grondwet 1917
Sinds 1917 voorziet de Grondwet in art. 192 in de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder (protestant en rooms-katholiek) onderwijs. In Nederland worden sindsdien scholen op godsdienstige grondslag - en dat is uniek in de wereld - volledig door de overheid bekostigd.
Deze zogeheten Pacificatie tussen liberalen die vóór uitbreiding van het kiesrecht en tegen een financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs waren, en de confessionelen die precies het tegenovergestelde wilden, maakte een eind aan de Schoolstrijd. In de Grondwet van 1917 werd ook het algemeen kiesrecht ingevoerd.
In 1972 volgde een kleine wijziging in het tweede lid van het toenmalig art. 208 Gw (nu art. 23 lid 2). Zie hierboven bij de toelichting op lid 2.
Ook de Grondwetswijziging van 1983 zorgde voor enige kleine wijzigingen in de tekst van het artikel. De belangrijkste wijziging was misschien wel dat het artikel in de Grondwet van plaats veranderde: van art. 208 werd het art. 23 en werd sluitstuk van de Grondrechten in Hoofdstuk 1.

 

NIEUWSITEMS

 

ACTUEEL

Op weg naar de richtingvrije school

Art. 23 Gw regelt sinds jaar en dag de vrijheid van onderwijs in Nederland. Maar hoe groot is die vrijheid in werkelijkheid? In de praktijk blijkt het erg moeilijk om een school te stichten. Alleen als je nieuwe school onder een levensbeschouwelijke richting valt, maak je een kans. Voorwaarde is dat een stroming breed terug te vinden moet zijn in onze samenleving. Zo weten we uit de praktijk dat een hindoeïstische school wél een kans maakt, maar een boeddhistische school niet...
Een iPad-school kan helemaal niet, omdat zo’n school niet op een levensbeschouwelijke visie gebaseerd maar op een pedagogische visie. Dat er in Nederland op een gegeven moment toch iPad-scholen ontstonden, kwam omdat ze zijn 'ondergebracht' bij bestaande bijzondere scholen.

Jarenlang was er een juridisch getouwtrek over de weigering van het ministerie van Onderwijs om goedkeuring te geven aan de vestiging van een iPad-school 'zonder richting'. Op 20 juni 2018 maakte de Raad van State hier een eind aan met de uitspraak dat het ministerie deze toestemming op basis van de huidige wetgeving terecht geweigerd had.

Eind 2015 had toenmalig onderwijsstaatssecretaris Sander Dekker een wetsvoorstel gereed om meer ruimte voor nieuwe scholen te creëren. Officieel heette het  'Voorstel van Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod’. De eis dat er een bepaalde richting aan de school ten grondslag moet liggen, moest verdwijnen aldus de staatssecretaris. Dat moest veel ruimer geformuleerd kunnen worden. Een goed onderwijsidee of een pedagogisch concept zou ook voldoende kunnen zijn.

De voorstellen van staatssecretaris Dekker vielen onder de noemer van de in het tweede lid genoemde ‘bij de wet te regelen’ zaken. Het ging hier met name om een wijziging van de Wet op het primair onderwijs ten aanzien van de eisen die gesteld worden aan het aantal leerlingen dat er moet zijn om een school te stichten. De staatssecretaris wilde die norm verlagen. Tegelijkertijd wilde hij de kwaliteitseisen verhogen zodat een school ook eerder kan worden gesloten.
Bij de consultatie heeft De Onderwijsraad laten weten het principe van het wetsvoorstel te ondersteunen, maar benadrukte wel dat dit zorgvuldig en behoedzaam moest gebeuren.

Minister Slob heeft in oktober 2018 het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze is er op 1 oktober 2019 mee akkoord gegaan.

 

Onbeperkte vrijheid van onderwijs?

Regelmatig is de afgelopen jaren de vraag geteld: is het in onze maatschappij nog aanvaardbaar dat art. 23 Gw in de huidige vorm blijft voortbestaan?
Hoe terecht is die onbeperkte vrijheid van onderwijs? De praktijk in Nederland wijst op dit moment in elk geval uit dat steeds meer groepen een beroep doen op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Eigenlijk is er sprake van een 'voortschrijdende verzuiling', terwijl de samenleving juist behoefte heeft aan een onderwijsbestel dat de integratie bevordert.
In zijn boek Inperking van de vrijheid van onderwijs pleit Carel Verhoef ervoor om de vrijheid van onderwijs in te perken en voor een 'gemengde' school te kiezen. In een artikel in Trouw van 25 maart 2016 schreef hij hier onder andere over:
Onze samenleving vraagt nu om een onderwijsbestel dat de sociale cohesie en integratie bevordert en de kloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen verkleint. Dat vereist een structurele verandering. Ik pleit voor het samenvoegen van openbaar en confessioneel bijzonder onderwijs tot gemengde scholen. Daar krijgen jongeren van elke culturele, etnische, sociale en religieuze achtergrond dan gezamenlijk hun opleiding en vorming. Daar wordt hen respect, tolerantie en wederzijds begrip bijgebracht.
We hebben een onderwijsbestel nodig dat boven alle verschillen uitstijgt en zoekt naar wat ons allen bindt. Waar niet het beperkte groepsbelang van een geloofsgemeenschap prevaleert, maar het belang van de samenleving. Samenleven en integratie beginnen bij gezamenlijk onderwijs. De maatschappelijke noodzaak dwingt ons het 'christelijk privilege' van de vrijheid van onderwijs in te perken. Niet bij wijze van 'payback' of om 'een beetje normaal te doen', maar omdat onze samenleving dat eist.


JURISPRUDENTIE

School mag hoofddoekjesverbod uitvaardigen

In 2011 stelde het Gerechtshof van Amsterdam een leerlinge van het Don Bosco College in Volendam in het ongelijk die met een hoofddoekje verschenen was waarna haar de toegang tot de lessen werd ontzegd.
Eerder dat jaar had de toenmalige Commissie Gelijke Behandeling gesteld dat de school een verboden onderscheid had gemaakt. Het gerechtshof vond in navolging van de kantonrechter dat een katholieke school een hoofddoekjesverbod mag uitvaardigen, indien dit consequent wordt toegepast.
Het 15-jarige meisje was sinds het schooljaar 2009-2010 leerlinge van het Don Bosco College te Volendam. Volgens het aanmeldingsformulier was zij moslim, maar haar ouders hadden te kennen gegeven dat zij de katholieke grondslag van het Don Bosco respecteerden. In het schoolreglement kwam met ingang van het schooljaar 2010-2011 te staan: 'Het is ten strengste verboden (-) binnen de school gezichtsbedekkende kleding, petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes te dragen’.
Het meisje was op de eerste dag van dat nieuwe schooljaar met een hoofddoekje op verschenen. De toegang tot de lessen werd haar ontzegd omdat zij weigerde de hoofddoek af te doen. Zij mocht tijdelijk in een andere kamer haar schoolwerk bijhouden. Na gesprekken met de vader koos de leerling ervoor om de lessen zonder hoofddoek te volgen.

Inmiddels had de vader het Bureau Discriminatiezaken gevraagd te onderzoeken of de school een verboden onderscheid op grond van godsdienst gemaakt had. De Commissie Gelijke Behandeling deed in januari 2011 de uitspraak dat dit in haar ogen inderdaad het geval was geweest.
De vader vroeg hierop via de kantonrechter in Haarlem excuus van de school en een symbolische schadevergoeding van 500 euro. De rechter wees dit verzoek in april 2011 af. In de uitspraak stond onder andere:
Kijkt de kantonrechter aldus naar het besluit van het Don Bosco College, dan kan de slotsom geen andere zijn dan dat de school ook anders had kunnen beslissen, maar dat de beslissing zoals die is genomen en nu wordt gehandhaafd een beslissing is die het Don Bosco College kan nemen op basis van haar (katholieke) grondslag die met zich meebrengt dat uitingen van een ander geloof binnen de school niet worden aanvaard.
Met inperking van de vrijheid van meningsuiting of met discriminatie op basis van geloof heeft dat niets van doen; met dat standpunt miskent de leerlinge dat zij met haar eis om haar geloofsovertuiging te mogen uiten onvermijdelijk inbreuk maakt op de gevoelens van anderen, die menen het recht te hebben van dergelijke uitingen verschoond te blijven. Het vinden van evenwicht tussen dergelijke conflicterende belangen is in een geval als het onderhavige primair een taak van de school en niet van de rechter. Die grijpt slechts in als geen redelijk oordelende school een dergelijk besluit had kunnen nemen, en zo’n situatie doet zich hier niet voor.

Na de afwijzing door de kantonrechter ging de vader in hoger beroep bij het gerechtshof in Amsterdam. Ook daar kreeg hij geen gelijk. Het gerechtshof had hiervoor de volgende overwegingen:

  • Aan een instelling van bijzonder onderwijs komt de vrijheid toe bij de toelating eisen te stellen.
  • Als het gaat om bijzonder onderwijs met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag, past de rechter grote terughoudendheid.
  • Er mag geen sprake zijn van willekeurig beleid. De school moet consequent handelen.
  • De schoolregels moeten consequent zijn. Ze hoeven geen onderdeel uit te maken van een meer omvattend beleid op grond van godsdienst of levensbeschouwing. Een school mag op nieuwe situaties reageren met nieuwe regels.

 

EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 13 Hv   Vrijheid van kunsten en wetenschappen   De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.
  • Art. 14 Hv   Recht op onderwijs   Een ieder heeft recht op onderwijs, alsmede op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.
    Dit recht houdt de mogelijkheid in om het verplichte onderwijs kosteloos te  volgen.
    De vrijheid om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische beginselen en het recht van de ouders om zich voor hun    kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige          overtuigingen, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 2 Protocol 1 EVRM   Recht op onderwijs  Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.
    Volgens een uitspraak van het Europese Hof uit 1993 betekent dit artikel dat een staat verplicht is het recht op onderwijs te garanderen, zowel op openbare    als op particuliere scholen. In zoverre is de staat dus ook verantwoordelijk voor particuliere scholen. Het geeft op zich geen recht om van overheidswege scholen op te richten.

 

Uitgelicht

 


Rechtspraak niet meer openbaar

NRC-columnist Folkert Jensma schreef in de krant van 1 augustus 2020:
Toen ik drie weken geleden een strafzitting bijwoonde, drong het tot me door. De rechtspraak is nu al drie maanden niet meer openbaar. De burger mag er helemaal niet meer bij. Journalisten mogen naar binnen, mits tevoren aangemeld en met niet meer dan drie tegelijk. (…)
Twee maanden geleden mailde een lezer die de strafzaak over de moord op haar kapper had willen bijwonen, dat ze nul op het rekest kreeg. Die zitting was digitaal te volgen, onder meer voor journalisten, maar zij mocht niet inloggen. De rechtbank vreesde dat deze burger via Skype de zitting ook zou opnemen. Er was weliswaar niets wat daar op wees, maar de rechtbank zag grote privacy-bezwaren. Geen risico’s met Twitter of YouTube filmpjes. Klagen hielp niet. De rechters waren onverbiddelijk. (20.08.20)

De openbaarheid van de rechtszittingen en  bij het uitspreken van vonnissen staat vanaf het prille begin in de Nederlandse Grondwet.
Hoe zit het nu de beperkingen vanwege de coronamaatregelen waar Jensma over schreef?
We zetten een aantal feiten op een rijtje.

Knipoog

 

Tractorcratie

Het hoofdredactioneel commentaar van NRC Handelsblad stond op 20 december 2019 stil bij de acties van de boeren: ‘Wie behalve een mening ook een trekker heeft, mag er in Nederland kennelijk meer ruimte mee afdwingen’, stelde de krant vast. De commentator voegde eraan toe te voegen dat het gezag er op een gegeven moment niet onderuit kan ook fysiek te laten zien dat de boeren geen blanco cheque hebben om alle regels aan hun laars te lappen. Is het einde van de ‘tractorcratie’ al weer in zicht? (21.12.19)