• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Grondrechten

Artikel 7

In Nederland heb je vooraf geen toestemming nodig om gedachten of gevoelens te publiceren in boeken, kranten of andere media.
Voor reclame gelden er aparte spelregels.

 

 

TEKST GRONDWET

 100000 Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
 2 De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending
 3 Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
 4 De voorafgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame

 

TOELICHTING

Art. 7 Gw is een echt klassiek grondrecht. Het zegt dat je als burger mag vinden wat je vindt en dat de overheid zich daar vooraf niet mee heeft te bemoeien. Achteraf draag je uiteraard wel de volle verantwoordelijkheid voor wat je hebt gezegd. Een klassiek grondrecht heeft een verticale werking: het dwingt de overheid tot terughoudendheid. Als het gaat om de vrijheid van de ene burger ten opzichte van de ander, heb je het over de horizontale werking van een grondrecht.
Advocaat Dirk Donker Curtius (1792-1864), die mede verantwoordelijk was voor het tot stand komen van de Grondwet van 1848, was destijds de auteur van de beroemde zin over de drukpers als 'koningin der aarde'. Het citaat komt uit zijn pleitrede op 12 juli 1839 voor de Hoge Raad te verdediging van C.A. Thieme, de uitgever van de (liberale) Arnhemsche Courant.

koningin citaat Donker Curtius

In de tijd van Donker Curtius zorgde het zogeheten dagbladzegel ervoor dat dagbladen erg duur waren en daarmee alleen binnen het bereik van rijke burgers lagen. Er moest namelijk een stempel op de krant staan dat de uitgever de belasting betaald had. Onder invloed van steeds meer protesten vanuit de bevolking werd in Nederland het dagbladzegel in 1869 afgeschaft. Hierna konden de kranten hun abonnementsprijzen zo ongeveer halveren waarmee ze voor een veel groter publiek betaalbaar werden.

Vrijheid van drukpers
Bij de oude formulering van art. 7 Gw ging het alleen over vrijheid van drukpers. In 1983 is er een tweede lid aan toegevoegd om ook de vrijheid van meningsuiting op radio en televisie zeker te stellen plus een derde lid dat in het algemeen zegt dat 'voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig'.

Inhoud niet relevant
In een democratie gaat het in art. 7 Gw om een van de belangrijkste politieke grondrechten: je hebt recht om een eigen mening te ventileren en je mag kritiek hebben op de overheid. De inhoud van de mening in kwestie is niet relevant. Zowel de waarheid als de leugen worden in beginsel door de wet beschermd.
Nog explicieter is art. 10 van het Europees Verdrag Rechten van de Mens:
'Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Het EVRM gaat verder dan onze Grondwet door het niet alleen over het 'uitzenden' van meningen te hebben, maar ook over het ontvangen ervan. Omdat Europees recht dat verder gaat dan het Nederlandse recht, ook van toepassing is op de Nederlandse burgers, kan een Nederlander ook een beroep dan op dit art. 10 EVRM.

Vrijheid meningsuiting contra vrijheid godsdienst
Art. 7 Gw kan botsen met de grondwettelijke vrijheid van godsdienst zoals verwoord in het voorgaande art. 8 Gw. Kan meneer A de vrijheid van meningsuiting van meneer B beperken als hij stelt dat B mag zeggen wat hij wil als hij maar geen mening verkondigt over de godsdienst van A?
Sommigen zagen er een rechtvaardigingsgrond in op de aanval op Theo van Gogh, bijvoorbeeld omdat hij volgelingen van de islam 'geitenneukers' had genoemd. Onmiddellijk komt op zo'n moment de vraag boven of iemand met een religieuze mening een grotere vrijheid heeft dan iemand met een 'gewone' mening.

(tekening Margje van den Berg)

(tekening Margje van den Berg)

Voor de rechter
Als een zaak voor de rechter komt, zal deze de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar afwegen. Denk hierbij aan vragen als: Hoe werd de mening uitgesproken? Op ernstige toon? Als satire? Stond het in de NRC? Of was het in Lubach op Zondag? Is er onderzoek geweest naar de juistheid van de beweringen?
Met andere woorden: de rechter kijkt naar 'aard en vorm' van de mededeling voor hij tot een oordeel komt.

Communicatiegrondrechten
Lodewijk Asscher formuleerde in 2002 in zijn proefschrift Communicatiegrondrechten drie grondslagen van de vrijheid van meningsuiting:

  • De wet beschermt de individuele expressie en zelfontplooiing van een ieder.
  • Het publieke belang is erbij gediend dat discussies ongehinderd kunnen plaatsvinden.
  • Een vrije communicatie is een kenmerk van en een voorwaarde voor een democratische samenleving.

 

Persvrijheid
De Raad voor de Journalistiek oordeelt regelmatig over het al of niet terecht zijn van een bepaalde publicatie. Het gaat dan echter niet om de persvrijheid als zodanig, maar over de vraag of een artikel maatschappelijk aanvaardbaar is. De raad oordeelt aan de hand van journalistiek-ethische normen en is niet gebonden aan de opvattingen zoals in het eerder genoemde Artikel 10 EVRM.
De meest vergaande vorm van persvrijheid kent IJsland. Het Iceland Modern Media Initiative geeft journalisten vergaande bescherming van journalistieke bronnen door hen wettelijk de plicht op te leggen hun bronnen te verzwijgen. Iemand die in IJsland iets de kaak stelt wat in een ander land speelt, is vrij om dat te doen. Zelfs als de rechter in dat land dat verboden heeft. De IJslandse wet zegt namelijk expliciet dat zo'n uitspraak in IJsland niet geldt.
Website IMMI-initiatief

Majesteitsschennis
Mag je in Nederland écht alles zeggen? In het Wetboek van Strafrecht staat sinds 1881 dat smaad, laster en belediging, belediging van leden van het Koninklijk Huis, ofwel majesteitsschennis strafbaar is. De zwaarste straf staat op het opzettelijk beledigen van de koning (art. 111 WvS). Dat kan worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. In 1980 werd er het beledigen van een bevriend staatshoofd aan toegevoegd. Hiervoor kan de rechter maximaal twee jaar gevangenisstraf opleggen (art. 118 WvS).
Veroordelingen voor majesteitsschennis zijn inmiddels bijzonder zeldzaam geworden, maar in de negentiende eeuw lag dat anders.

 

gorilla omslag

 

De beroemdste zaak was de veroordeling in 1887 van anarchistenvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Aanleiding was een artikel in zijn tijdschrift Recht voor Allen waarin koning Willem III 'Koning Gorilla' werd genoemd:
Behalve aan Bacchus was zijn dierbaar Gorilla-leven voor de andere helft aan Venus gewijd. Vooral in het buitenland zwijnde hij zoo liederlijk, dat zelfs de meeste vorsten van Europa vermeden Gorilla op hunnen reizen te ontmoeten en dat wat zeggen, want die heeren hebben al zeer weinig recht den neus op te trekken voor anderen. Maar toch deden zij het nog over hun neef Gorilla en terecht.
Vervolgens werden op tien blanco pagina's de 'Activiteiten des Konings' opgesomd… Domela Nieuwenhuis werd als hoofdredacteur van Recht voor Allen verantwoordelijk geacht en werd tot één jaar veroordeeld waarvan hij er uiteindelijk zeven maanden heeft uitgezeten.

 

Parlementaire onschendbaarheid
Art. 71 Gw regelt de parlementaire onschendbaarheid als volgt:
De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.

In Nederland geldt de parlementaire onschendbaarheid uitdrukkelijk binnen het orgaan waarvoor politici gekozen zijn. Zeggen ze daarbuiten in het openbaar hetzelfde, dan geldt de bescherming niet en zijn ze zelf verantwoordelijk voor hetgeen ze beweren.
Vergeleken met andere landen kent Nederland een relatief beperkte parlementaire onschendbaarheid. Hier kan Geert Wilders worden vervolgd voor opmerkingen die hij buiten het parlement heeft gemaakt. Bovendien kan elk Kamerlid in Nederland zonder meer worden gearresteerd als hij wordt verdacht van een misdrijf. In de meeste andere landen zou het parlement hiervoor eerst goedkeuring moeten geven.

Bij haar afscheid van de Tweede Kamer in 2011 schreef Femke Halsema een brief waarbij ze onder andere pleitte voor een ruimere opvatting rond parlementaire onschendbaarheid:
Nu het politieke debat niet meer alleen plaatsvindt in het parlement, maar ook op televisie en op internet, lijkt het mij tijd om na te denken over de regels van parlementaire onschendbaarheid. Volksvertegenwoordigers dienen zich beschermd en vrij te weten, ook als zij meningen verkondigen die sommigen tegen de borst stuiten of zelfs ronduit kwetsen. Die bescherming zou niet alleen moeten gelden als zij achter het spreekgestoelte of bij de interruptiemicrofoon staan, maar overal waar zij uit hoofde van hun functie het woord voeren.

 

TOELICHTING OP ONDERDELEN

Het huidige eerste lid 1 van het artikel is het oude art. 7 Gw van vóór 1983. Bij de Grondwetswijziging van 1983 zijn de andere drie leden toegevoegd.

'Voorgaand verlof'
Het is de overheid verboden om van burgers te eisen dat ze vooraf toestemming vragen voor het uiten van gedachten en gevoelens. Een verbod op censuur dus. Dit is een opvallend kenmerk van ons art. 7 Gw want het komt niet in de internationale verdragen voor. Dit grondwetsartikel geeft dus extra bescherming.

'Gedachten of gevoelens'
Het woord 'gevoelens' wordt hier gebruikt in de oude betekenis: een mening die nog niet onderbouwd is met argumenten. Eigenlijk heeft degene die de gevoelens uit, wel die verplichting. Dit in tegenstelling tot een term als 'emoties'.

'Openbaren'
Op zich kan een rechter weinig met dit grondwetsartikel, want het geeft eigenlijk alleen aan dat een formele wet de beperkingen aan moet geven. Zelf geeft art. 7 Gw geen inhoudelijke criteria waar de wetgever zich aan zou moeten houden.
In de jurisprudentie van de afgelopen jaren is het begrip 'gedachten of gevoelens' steeds ruimer uitgelegd. Dat heeft tot gevolg dat de grens tussen dit begrip en de handelsreclame uit lid 4 niet erg helder meer is. Zo langzamerhand heeft zich een apart 'verspreidingsrecht' ontwikkeld van zogeheten 'zelfstandige middelen van bekendmaking of verspreiding'. Denk hier aan flyers, strooibiljetten en affiches. Gemeenten mogen wel ingrijpen maar moeten van de inhoud afblijven.

'Radio- of televisie-uitzending'
Dit lid moest er in 1983 voor zorgen dat de pluriforme pers in de Grondwet verankerd zou worden. De pluriformiteit wordt in Nederland onder andere geregeld in de Mediawet en de Telecommunicatiewet. Het gebruik van term 'radio en televisie' sluit hier de nieuwe media uit, maar deze vind je als 'restcategorie' terug in lid 3.

'Andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen'
Na de drukpers (lid 1) en de omroep (lid 2) worden in lid 3 de middelen die onder dit Grondwetsartikel vallen, zo verruimd dat ook
theater, muziek, film en de nieuwe media eronder vallen.
De mogelijkheden van de nieuwe media deden allerlei nieuwe problemen rond de vrijheid van meningsuiting
ontstaan. Zie bijvoorbeeld de zaak van de patiënt die zijn huisdokter op Facebook beledigde en zich daarbij op de vrijheid van meningsuiting beriep, in JURISPRUDENTIE.

'Personen jonger dan zestien jaar'
De overheid mag niet vooraf toezicht houden op een mening die nog in het openbaar geuit moet worden. De enige uitzondering geldt voor personen die jonger zijn dan zestien. De wet waar in dit lid naar verwezen wordt, is de Wet op de filmvertoningen. Maar helaas voor de wetgever: deze wet is al in 2001 ingetrokken...

'Handelsreclame'
Het vierde lid van art. 7 Gw zorgt ervoor dat handelsreclame niet onder de grondwettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting valt. In dit verband heeft de rechter ook al eens geoordeeld dat ook spam er niet onder valt. Waar ligt de grens tussen handelsreclame en ideële reclame? Zo'n grens is in de praktijk dikwijls moeilijk te trekken. In de praktijk legt de rechter het begrip reclame nog eens zo uit dat het toch wel onder art.7 Gw valt.

 

NIEUWSITEMS

 

ACTUEEL

 

Rotterdams 'sisverbod' in strijd met vrijheid van meningsuiting

Sinds 2018 is in Rotterdam zogeheten straatintimidatie strafbaar gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening. Op zaken als sissen, uitschelden en naroepen staat een boete van maximaal 4100 euro of maximaal drie maanden cel.
In Rotterdam zijn inmiddels enkele verdachten aangehouden. Het Openbaar Miniserie besloot enkele zaken voor de rechter te brengen om te onderzoeken of de strafbaarstelling via de APV juridisch houdbaar is.

De eerste zaak werd in december 2019 behandeld door het gerechtshof in Den Haag. De verdachte in deze zaak had drie vrouwen lastiggevallen door hen aan te spreken met seksueel getinte opmerkingen en de vrouwen handkusjes te geven.
Het gerechtshof achtte het bewezen dat de man deze feiten gepleegd hadt, maar dat hij niet kon worden veroordeeld omdat straatintimidatie nooit door een gemeente strafbaar gesteld had mogen worden Het is niet aan een gemeente om de vrijheid van meningsuiting te beperken, aldus het Haagse gerechshof. Op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting kan alleen door de Tweede en Eerste Kamer gezamenlijk een beperking worden aangebracht.

Inmiddels ligt bij de Tweede Kamer een initiatiefwet van PvdA en CDA om seksuele intimidatie in het openbaar strafbaar te stellen. Ook het kabinet werkt aan een wetsvoorstel tegen seksuele intimidatie.

Uitspraak gerechtshof Den Haag (19.12.2020)

 

Gemeentelijk vloekverbod in strijd met de Grondwet

Op initiatief van SGP en ChristenUnie besloot de Zuid-Hollandse gemeente Molenlanden in oktober 2019 een vloekverbod in te stellen. Daarmee was het de veertiende gemeente met een dergelijk verbod in de Algemene Plaatselijke Verordening.
Staatsrechtdeskundigen waarschuwden de gemeente dat een dergelijk verbod in strijd is met de vrijheid van meningsuiting in art. 7 Gw. Men besloot in Molenlanden toch tot het verbod en bedacht daarvoor de juridische truc dat het bij het verbod slechts zou gaan om uitingen die geen betrekking hebben op art. 7 Gw.

Hoogleraar staats- en bestuursrecht Jon Schilder van de VU in Amsterdam zei erover in Trouw van 4 oktober 2019: 'Het is een dode letter. Zo’n vloekverbod dient geen enkel doel. Alleen de landelijke overheid heeft iets te zeggen over uitingsdelicten.'
In 1986 heeft de rijksoverheid alle op dat moment bestaande gemeentelijke vloekverboden al een keer vernietigd. Inmiddels hebben veertien Nederlandse gemeenten weer een vloekverbod in hun APV: Barneveld, Bunschoten, Elburg, Ermelo, Krimpen aan den IJssel, Molenlanden, Nijkerk, Nunspeet, Putten, Reimerswaal, Rijssen-Holten, Staphorst, Tholen en Urk. De deskundigen zijn het erover eens dat de regering deze nieuwe plaatselijke verboden opnieuw kan vernietigen.

 

Reactie autoriteiten op aanzetten tot haat

De Russische journalist Stomakhin schreef in zijn krant vaak over de oorlog in Tsjetsjenië. In 2006 werd hij veroordeeld voor het aanzetten tot haat en rechtvaardiging van terrorisme en geweld tot een gevangenisstraf van vijf jaar.  Hij zat zijn complete straf uit en legde zijn zaak voor aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

In mei 2018 deed het Europese Hof uitspraak en constateerde dat sommige artikelen van Stomakhin de grenzen van acceptabele kritiek hadden  overschreden. Er was sprake geweest van 'hate speech' in de vorm van oproepen tot geweld en de rechtvaardiging van terrorisme, Over het geheel genomen echter was er in de ogen van het hof geen sprake van een dringende maatschappelijke behoefte om de rechten van Stomakhin te beperken door hem voor sommige van zijn opmerkingen te straffen.
In de ogen van het Europees Hof heeft in de zaak Stomakhin schending van art.10 EVRM plaatsgevonden. Het hof heeft er na aanleiding van de uitspraak bij de regeringen op aangedrongen voorzichtig te zijn bij het overwegen wat aanzetten tot haat is en wat kritiek is op de autoriteiten

 

Staatscommissie Herziening Grondwet pleitte voor flinke wijziging art. 7 Gw

De Staatscommissie voor de Herziening van de Grondwet vindt dat de Grondwet in het internettijdperk het recht op 'vrije ontvangst van informatie ' zou moeten garanderen. Bovendien zou de Grondwet moeten worden uitgebreid met een bepaling dat de overheid expliciet de pluriformiteit van de media eerbiedigt.
Ook adviseert de commissie om in de tekst van art. 7 Gw in de toekomst geen specifieke media meer te noemen, omdat het om alle vormen van meningsuiting moet gaan. Verder stelt ze voor het woord 'gevoelens' te vervangen door het feitelijk juistere woord 'meningen'.

Artikel 7 zou er in de ogen van de Staatscommissie als volgt kunnen uitzien:
1   Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om gedachten en meningen te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2   Het ontvangen van informatie is vrij, behoudens beperkingen bij de wet gesteld.
3   De overheid eerbiedigt de pluriformiteit van de media.

In een reactie op de voorstellen van de commissie heeft het kabinet in oktober 2011 aangegeven weinig meerwaarde te zien in de voorgestelde wijzigingen. Men wijst erop dat de gehanteerde begrippen in de art. 7 Gw dermate open zijn dat 'zowel de wetgever als de rechter er afdoende mee uit de voeten kunnen om de vrijheid van meningsuiting (...) te beschermen'.

 

Wil EU-commissie voor Tolerantie censuur invoeren?

In oktober 2013 heeft de EU-Commissie voor Tolerantie het document European framework national statute for the promotion of tolerance gepubliceerd. De commissie stelt voor in Europa concrete maatregelen te nemen om 'racisme, vooroordelen over huiskleur, ethische discriminatie, religieuze intolerantie, totalitaire ideologieën, xenofobie, antisemitisme, homofobie en antifeminisme te elimineren'. Uitingen waarin dit soort opvattingen verwoord worden zouden volgens de commissie verboden moeten worden
In Trouw van 26 oktober 2013 vraagt de filosoof Sebastiaan Valkenberg zich af waarom niemand bij het document alarm geslagen heeft. Het betekent immers het einde van onze vrijheid van meningsuiting! Twee op de drie Nederlanders is voor een vergaande vorm van tolerantie, maar dit document zet de zaak volledig op zijn kop, aldus Valkenburg.

 

JURISPRUDENTIE

Patiënt maakt arts zwart op Facebook

De heer X was niet tevreden over de manier waarop de huisarts met zijn nierklachten was omgegaan. In niet mis ter verstane bewoordingen liet hij op Facebook weten dat hij boos op haar was. Sterker nog, de 'eigenwijzigheid' van die vrouw zou hem een nier hebben gekost. Hij noemde zijn huisarts een 'eigenwijze trol' en postte zelfs: 'Ik ga haar de nek omdraaien voor wat ze mij en wie weet hoeveel anderen heeft aangedaan'.
Toen de arts zich door zulke de uitlatingen van X op Facebook bedreigd voelde, schakelde ze haar rechtsbijstandsverzekering in. De advocaat van deze verzekeringsmaatschappij startte een kort geding. De arts eiste dat haar patiënt moest stoppen met de lastercampagne en dat deze alle posts over haar van Facebook moest verwijderen.

De rechtbank in Rotterdam waar het kort geding op 8 februari 2017 diende, stelde vast dat er sprake was van een afweging tussen de vrijheid van meningsuiting van X en het recht op de bescherming van de eer en goede naam van de huisarts. Iedereen die meent dat hem of haar een slechte geneeskundige behandeling ten deel is gevallen, staat het in principe vrij om deze onvrede publiekelijk te uiten.
Letterlijk stond in het vonnis: 'Onschuldige praatjes over bijvoorbeeld het weer behoeven geen bescherming. De vrijheid van meningsuiting heeft nut juist waar het schrijnt. Het staat dan ook aan eenieder die meent dat hem een slechte geneeskundige behandeling ten deel is gevallen, vrij om deze onvrede publiekelijk te uiten. Deze uiting kan, bovendien, heel goed een maatschappelijk belang dienen, namelijk het belang om een eventuele misstand in de geneeskunde aan de kaak te stellen.'
De rechter voegde hier onmiddellijk aan toe dat het van essentieel belang is dat de klager zijn klacht kan onderbouwen. Is dat niet het geval, dan is er geen sprake van een maatschappelijk belang en gaat het om laster, aldus de rechter. In dit geval van X beschikte deze niet over enig bewijsmateriaal zoals een second opinion van een andere arts dat zijn oordeel kon bevestigen. Ook had hij zich niet tot het Regionaal Tuchtcollege gewend om zich over de zaak uit te spreken, zoals in dit soort gevallen een gebruikelijke weg is.
De Rotterdamse rechtbank bepaalde dat X met zijn ongefundeerde beschuldigingen op Facebook moest stoppen. Ook al zou in een later stadium alsnog vast komen te staan dat de arts haar werk niet goed gedaan had, dan had de patiënt zich niet onnodig grievend mogen uitlaten.

Tenslotte stond de rechter stil bij het feit dat X ter verdediging aangevoerd had dat uitlatingen als die van hem op Facebook heel normaal waren. De rechter hield hem voor dat dat je het woordgebruik op Facebook niet als 'maat der dingen' mocht beschouwen: 'Ook als bepaalde woorden veel gebruikt worden op Facebook kunnen ze onnodig grievend en bedreigend zijn. Het gaat er niet om wat X zelf van zijn woordkeus vindt, of hij het allemaal niet zo kwaad bedoelt en of zijn woordkeus in zijn kringen gebruikelijk is. Het gaat erom op welke manier zijn huisarts diens woorden mag opvatten.'

X moest stoppen zijn lastercampagne en moest de berichtgeving onmiddellijk van Facebook afhalen.

Publicatie op een eigen website kan een onrechtmatige daad opleveren

De formulering van de vrijheid van meningsuiting in art. 7 Gw stamt uit 1983 en het is dan ook geen wonder dat internet en andere nieuwe media voor onverwachte juridische problemen zorgen. Het gaat om vragen als: zijn uitingen op je eigen website privé of openbaar? En mag je zomaar alles op je eigen website zetten? De volgende zaak die gedurende een lange reeks van jaren speelt, illustreert dit.

Op 24 mei 1943 bracht de elektricien Louis van Gasteren in zijn Amsterdamse woning de joodse onderduiker Walter Oettinger om het leven door hem met een zware kabel op het hoofd te slaan en hem vervolgens te verdrinken in een badkuip. In 1944 werd Van Gasteren wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Na de oorlog kreeg Van Gasteren gratie, omdat zijn daad als een verzetshandeling bestempeld werd.

Toen Van Gasteren in een interview in 1989 in de NRC het ombrengen van Oettinger een verzetsactiviteit noemde, was hij inmiddels een bekend cineast geworden. Journalist Bart Middelburg suggereerde in Het Parool dat het eigenlijk een ordinaire roofmoord geweest was waarop Van Gasteren naar de rechter stapte.
Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad in 1995 dat Het Parool onzorgvuldig was geweest en dat de krant Van Gasteren een schadevergoeding moest betalen.

In een ingezonden brief in NRC Handelsblad van 20 mei 2020 onthulde voormalig hoofdredacteur Sytze van der Zee van Het Parool naar aanleiding van het boek De dood van een onderduiker van Eric Slot voor het eerst de hoogte van deze schadevergoeding: 500.000 gulden, of wel bijna 227.000 euro. Van der Zee noemt het in zijn reactie: 'het grootste bedrag dat een krant in Nederland ooit aan schadevergoeding moest uitkeren, maar we hingen dat niet aan de grote klok'.

Van Gasteren bleek ook daarna steeds weer in het geweer komen als iemand twijfelde aan zijn verzetsdaad. Met de column van Pamela Hemelrijk van 2 november 1999 zijn we in het digitale tijdperk terechtgekomen.
In haar 'Open brief aan de Hoge Raad' klaagde ze op haar website dat het door het arrest van 1995 niet meer mogelijk zou zijn nog iets te zeggen over de zaak te publiceren zonder schadeclaims van Van Gasteren.
Uiteraard spande de cineast wederom een rechtszaak aan waarin hij schadevergoeding eiste.
Hemelrijk reageerde met een nieuwe brief op haar website:
Geachte Hoge Raad, ik schrijf U over een onderwerp dat ik, als ik de juristen geloven mag, nooit meer kan aanroeren. Nou ja, ik kan het wel doen, maar, aldus die juristen, dan krijg ik onmiddellijk een proces met een dikke vette schadeclaim aan mijn broek, dat ik gegarandeerd ga verliezen. Waarom zal ik dat proces onvermijdelijk verliezen? Omdat ik het verleden van de cineast Louis van Gasteren niet meer mag oprakelen. Louis zelf die mag, gek genoeg, zijn verleden oprakelen zoveel hij maar wil…

In 2001 dagvaardde Van Gasteren Hemelrijk en stelde dat ze onrechtmatig handelde door beweringen te herhalen die de Hoge Raad al in 1995 had verboden. In 2008 kwam de zaak uiteindelijk voor de Hoge Raad. Deze woog in twee fundamentele rechten tegen elkaar af: de vrijheid van meningsuiting en het recht op eer en goede naam en de eerbiediging van de privacy. De Hoge Raad oordeelde dat de uitingsvrijheid van Hemelrijk voorging en wees de vorderingen van Van Gasteren af.

  • Uitspraak Hoge Raad uit 2008 niet digitaal beschikbaar (HR 18.01.2008,  NJ 2008/338)

 

EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 10 EVRM   De Nederlandse Grondwet zegt dat er vrijheid van meningsuiting is behoudens 'ieders verantwoordelijkheid volgens de wet', maar zegt er niet bij welke grenzen de wetgever hierbij in acht neemt. In het EVRM staat wel zo'n clausulering, namelijk dat er een dringende maatschappelijke noodzaak aanwezig moet zijn om de vrijheid van meningsuiting te beperken.
    Letterlijk staat er in art.10 lid 1 EVRM: 'Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.' Het EVRM heeft het behalve over het 'verstrekken' ook over het 'ontvangen' van informatie en daarin Europa verder dan Nederland.

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 11 Hv   Net als het EVRM heeft ook het Handvest het over het 'verstrekken' ook over het 'ontvangen' van informatie. Hier wordt het omschreven als 'de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën'.
  • Art. 53 Hv   Dit artikel stelt dat de beperkingen worden erkend die door een eigen land worden opgelegd. Het Handvest biedt dus de ruimte dat onze eigen wetgeving meer beperkingen kan opleggen dan volgens de Europese formuleringen zou zijn toegestaan.

 

Uitgelicht

 


Rechtspraak niet meer openbaar

NRC-columnist Folkert Jensma schreef in de krant van 1 augustus 2020:
Toen ik drie weken geleden een strafzitting bijwoonde, drong het tot me door. De rechtspraak is nu al drie maanden niet meer openbaar. De burger mag er helemaal niet meer bij. Journalisten mogen naar binnen, mits tevoren aangemeld en met niet meer dan drie tegelijk. (…)
Twee maanden geleden mailde een lezer die de strafzaak over de moord op haar kapper had willen bijwonen, dat ze nul op het rekest kreeg. Die zitting was digitaal te volgen, onder meer voor journalisten, maar zij mocht niet inloggen. De rechtbank vreesde dat deze burger via Skype de zitting ook zou opnemen. Er was weliswaar niets wat daar op wees, maar de rechtbank zag grote privacy-bezwaren. Geen risico’s met Twitter of YouTube filmpjes. Klagen hielp niet. De rechters waren onverbiddelijk. (20.08.20)

De openbaarheid van de rechtszittingen en  bij het uitspreken van vonnissen staat vanaf het prille begin in de Nederlandse Grondwet.
Hoe zit het nu de beperkingen vanwege de coronamaatregelen waar Jensma over schreef?
We zetten een aantal feiten op een rijtje.

Knipoog

 

Tractorcratie

Het hoofdredactioneel commentaar van NRC Handelsblad stond op 20 december 2019 stil bij de acties van de boeren: ‘Wie behalve een mening ook een trekker heeft, mag er in Nederland kennelijk meer ruimte mee afdwingen’, stelde de krant vast. De commentator voegde eraan toe te voegen dat het gezag er op een gegeven moment niet onderuit kan ook fysiek te laten zien dat de boeren geen blanco cheque hebben om alle regels aan hun laars te lappen. Is het einde van de ‘tractorcratie’ al weer in zicht? (21.12.19)