Iedereen in Nederland heeft recht op een eerlijk proces en moet een beroep op de rechter kunnen doen om een onafhankelijke uitspraak te krijgen.
TEKST GRONDWET
| 10000 | Ieder heeft bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. |
| 2 | Niemand kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. |
ALGEMENE TOELICHTING
Jus de non evocando
Voor dit rechtsbeginsel om een rechter te mogen inschakelen hebben juristen de term 'Jus de non evocando', ofwel het recht om niet gedagvaard te worden dan voor een college van de eigen stand. Dit recht kent een voorgeschiedenis die tot in de middeleeuwen teruggaat. In de middeleeuwen was men van oordeel dat niemand het recht ontzegd kon worden om binnen de eigen stand voor de rechter te verschijnen.
Met verdwijnen van de feodale samenleving kreeg het Jus de non evocando de ruimere definitie dat iemand niet mag worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dit rechtsbeginsel staat in art. 17 Gw. Het maakt overigens al vanaf 1814 deel uit van de Grondwet. Aanvankelijk stond het als art. 102C in de Grondwet. In 1983 is deze bepaling als art.17 voorin de Grondwet in het hoofdstuk Grondrechten terechtgekomen.
Europese wetgeving
Het eerste lid van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gaat duidelijk verder dan ons art. 17 Gw.
| 000000 | Een ieder heeft het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. |
Mocht de Nederlandse overheid zich niet aan een wet houden, kun je met dit artikel in handen de rechter alsnog vragen om e.e.a. na te gaan.
Grondwetswijziging
In 2010 stelde de Staatscommissie-Thomassen vast dat het recht op een eerlijk proces onvoldoende duidelijk in de Grondwet stond en dat het als een nieuw eerste lid aan art.17 Gw zou moeten worden toegevoegd.
In 2014 verscheen het conceptwetsvoorstel voor het nieuwe artikel:
| 100000 |
Ieder heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. |
| 2 | Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. |
Naar aanleiding van het wetsvoorstel stelde Carolus Grütters van de Radboud Universiteit in Trouw van 28 november 2014 de vraag of we in Nederland ook afhankelijke en partijdige rechters hadden:
In de Nederlandse context is een rechter per definitie onafhankelijk en onpartijdig. De elementen 'onafhankelijk' en onpartijdig' zijn constitutieve elementen van het begrip 'rechter'. Derhalve vormen de kwalificaties 'onafhankelijk' en 'onpartijdig' in combinatie met 'rechter' in Nederlandse context een pleonasme, alsof gesproken wordt van een ronde cirkel.
Op 1 juli 2016 heeft het kabinet het definitieve wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend om aan art. 17 Gw de volgende zin toe te voegen:
Ieder heeft bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
De Tweede Kamer ging op 11 juli 2017 in eerste lezing met de wijziging akkoord en de Eerste Kamer volgde op 20 februari 2017. In tweede lezing kwam het voorstel op 5 april 2022 met een tweederde meerderheid door de nieuwe Tweede Kamer. Op 5 juli 2022 kwam het voorstel ook door de Eerste Kamer zodat art. 17 Gw. kan worden uitgebreid met de zinsnede over het recht op een eerlijk proces.
TOELICHTING OP ONDERDELEN
Lid 1 'Niemand kan'
Soms kiest de wetgever voor de term 'iedere Nederlander'. In dit artikel wordt bedoeld dat iedereen die zich op Nederlands grondgebied bevindt, een beroep op de onafhankelijke rechter kan doen.
De formulering 'niemand kan...' duidt er verder op dat er ook sprake kan zijn van een horizontale werking, ofwel de verhouding tussen burgers onderling. Als burger kun je een medeburger niet afhouden van een rechter. Dit artikel heeft dus naast een verticale ook een horizontale werking.
Lid 1 'Tegen zijn wil'
Er staat in het artikel 'tegen zijn wil'. Het inschakelen van de rechter is een individuele, geen collectieve zaak. In dat geval had er 'tegen hun wil' gestaan.
- Twee individuen kunnen samen afspreken om geen beroep op de rechter te doen. Een collectieve overeenkomst met dezelfde strekking ligt een stuk moeilijker. Stel dat een werkgever met de bonden afspreekt om in een cao een passage op te nemen om bij onenigheid over de inhoud niet naar de rechter te stappen. Een cao met zo'n tekst kan niet algemeen verbindend verklaard worden. Deze zou immers ook gelden voor mensen die niet persoonlijk aanwezig waren bij het afsluiten van de cao. Een individuele werknemer kun je als collectief nooit het grondwettelijke recht ontnemen om zijn zaak aan de rechter voor te leggen.
- Kun je bij rechtspraak in eigen kring (sportbond, tuchtraad) individuen het recht ontzeggen om alsnog naar de rechter te stappen? Ook hier hoeft het individu niet toe te geven aan druk vanuit de groep om de zaak 'binnen de eigen kring' te houden. Niemand kan je ervan weerhouden de zaak alsnog aan de rechter voorleggen, aldus art. 17 Gw.
Lid 1 'Rechter'
In het artikel wordt het begrip 'rechter' niet omschreven, maar dat gebeurt wel in Hoofdstuk 6 van de Grondwet. Vaak is het de wet die aangeeft bij welke rechter je moet zijn.
NIEUWSITEMS
- Volgens advocaten artikel 17 in het geding in de zaak-Weski (13.04.2025)
- Coalitie overweegt toegang tot recht voor organisaties te beperken (28.06.2024)
- Raad van State kwam te laat terug op strenge lijn kindertoeslagenaffaire (20.11.2021)
- Adviescolleges adviseren formerende partijen over opdracht nieuwe kabinet (04.11.2021)
- Venetië Commissie pleit voor meer tegenwicht bieden aan kabinet (20.10.2021)
- Meer aandacht voor rechtsbescherming individu bij bestuursrechter (09.10.2021)
JURISPRUDENTIE
RECHTSTREEKS NAAR DE RECHTER
De heer X is in april 1970 bij een hogeschool in dienst getreden als docent scheikunde. In oktober 1995 werd hij arbeidsongeschikt. Ruim twee jaar later deelde de hogeschool hem mee dat zijn dienstbetrekking zou worden beëindigd met ingang van 6 april 1998.
X vond zijn ontslag onredelijk. Hij had naar de commissie van beroep kunnen gaan waar zijn hogeschool bij aangesloten was en waar iedere werknemer beroep kan instellen tegen een besluit van de werkgever. De uitspraak van de commissie zou bindend geweest zijn voor de werkgever. Hij ging echter niet naar de commissie, maar stapte rechtstreeks naar de kantonrechter en vroeg om een schadevergoeding van ruim 300 duizend euro.
De kantonrechter verklaarde de vordering van X in december 1998 niet-ontvankelijk omdat hij als personeelslid op grond van de CAO eerst beroep had moeten instellen bij de eigen commissie van beroep. Dit oordeel werd bijna een jaar later in hoger beroep door de rechtbank bevestigd.
Vervolgens ging X in cassatie bij de Hoge Raad. Deze bleek in november 2001 een andere mening toegedaan dan de eerdere rechters.
Volgens de Hoge Raad was alleen een bepaling in de cao niet voldoende. Dat zou alleen zo zijn als tussen de onderwijsinstelling en X persoonlijk overeengekomen was dat de beslissing van de commissie van beroep voor alle partijen zou gelden als een bindend advies. Zo'n ondubbelzinnige overeenkomst lag er in de ogen van de Hoge Raad niet, dus was X ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen reden aan te wijzen op grond waarvan de docent gehouden zou zijn het geschil eerst aan de commissie van beroep voor te leggen, aldus de Hoge Raad. X kan zijn zaak alsnog aan de kantonrechter voorleggen.
- Uitspraak Hoge Raad (09.11.2001)
EUROPEES RECHT
Het staatsrecht kent twee systemen: het dualisme en het monisme. In het dualisme zijn het internationaal en nationaal recht van elkaar gescheiden, in het monisme vormen beide één geheel. Het Nederlandse systeem is in belangrijke mate monistisch.
Artikel 93 en 94 van onze Grondwet zeggen dat het internationale recht in principe rechtstreeks binnen ons nationale recht van kracht is. In ons monistisch rechtssysteem mag je als Nederlands burger dan ook altijd een beroep doen op de meest vergaande bescherming. Het maakt het niet uit of dat een Nederlandse wet, een Europese wet of een internationaal bindend verdrag is.
- Lees de informatiepagina over de relatie tussen de Nederlandse Grondwet en de Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
- In een overzichtsschema staan de 23 Nederlandse grondrechten in relatie met zes belangrijke Europese en internationale verdragen, waaronder het Handvest van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
- Integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving vindt u in de downloads.
Verdrag Europese Unie
- Art. 19 VEU Dit artikel verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat er voldoende rechtsmiddelen zijn zodat er ook daadwerkelijk sprake is van rechtsbescherming.
Handvest Grondrechten Europese Unie
- Art. 47 Hv Wanneer het gaat om zaken die binnen het Unierecht vallen - zoals asielrecht of consumentenbescherming - stelt dit artikel eisen aan:
• het recht op toegang tot de rechter
• het recht op een eerlijk proces
• rechtsbijstand voor diegenen die over onvoldoende middelen beschikken.
Europees Verdrag Rechten van de Mens
- Art. 6 EVRM Dit zeer uitgebreide artikel garandeert dat iedereen bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen, of bij een strafvervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling. Dat alles binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig rechtbank die bij de wet is ingesteld.
De bepalingen van het EVRM zijn algemeen verbindend en er wordt in de Nederlandse rechtspraktijk veelvuldig gebruik gemaakt van dit artikel.
INTERNATIONALE VERDRAGEN
Internationaal Verdrag Burgerrechten en Politieke Rechten
- Art. 14 IVBPR Dit wereldwijde VN-verdrag bevat nagenoeg dezelfde waarborgen als art. 6 EVRM. Het stelt dat iedereen gelijk is voor de rechter en recht heeft op een openbare en eerlijke rechtspleging. In de Nederlandse situatie is de juridische kracht van art. 6 EVRM echter veel sterker.


