Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Grondrechten

Artikel 9

In Nederland mag je vergaderen en demonstreren. De overheid mag alleen regels voor demonstraties maken in het belang van de verkeersveiligheid en om wanordelijkheden te voorkomen.

 

 

TEKST GRONDWET

100000 Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2 De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bescherming of voorkoming van wanordelijkheden.

 

ALGEMENE TOELICHTING

Beperking vrijheid vergadering en betoging
Art. 9 Gw zegt dat de overheid niet mag ingrijpen bij vergaderingen en betogingen. Wel geeft het tweede lid de overheid de ruimte om burgers in drie gevallen beperkingen op te leggen, zie hieonder. Deze zijn nader uitgewerkt in de Wet openbare manifestaties uit 1988.
Op basis van deze wet mag de overheid alleen beperkingen opleggen als de gezondheid in gevaar komt, verkeersproblemen dreigen of  als er wanordelijkheden dreigen (voetbalwedstrijden). Dus niet als er ideeën worden verkondigd dat een minister niet aanstaan.

Relatie artt. 6 Gw
De Wet openbare manifestaties bevat bepalingen over 'de uitoefening van het recht tot vrije belijdenis van godsdienst en levensovertuiging en betreffende de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging'. De wet is dan ook niet alleen een uitwerking van art. 9 Gw, maar ook van art. 6 Gw over de godsdienstvrijheid.

Wet openbare manifestaties
De Wet openbare manifestaties geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om bij een betoging op de openbare weg te eisen dat dit van tevoren wordt gemeld. Een niet gemelde betoging valt weliswaar onder de grondwettelijke vrijheid van betoging, maar een burgemeester kan met deze wet zo'n betoging beëindigen en de deelnemers opdracht geven uiteen te gaan. Veel gemeenten hebben dan ook in hun verordeningen een zinsnede opgenomen dat het voor het houden van een demonstratie noodzakelijk de gemeente tijdig van de plannen op de hoogte te stellen.
Zie bij ACTUEEL over een onderzoek dat minister Dilan Yeşilgöz van Veiligheid en Justitie laat doen of de huidige instrumenten van de Wet openbare manifestaties nog wel voldoen.

Meer informatie over de Wet openbare manifestaties en de rol van de lokale overheid op de site www.burgemeesters.nl.

 

 

Tijdens de protesten in de jaren zestig werd de kreet 'Johnson moordenaar' snel populair. Vier Utrechtse studenten werden in 1967 tot aan de Hoge Raad aan toe vanwege de leuze veroordeeld, omdat ze daarmee een bevriend staatshoofd zouden hebben beledigd. Het viertal kreeg ieder honderd gulden boete. De Groninger filosofieprofessor Bernard Delfgauw bedacht als correct alternatief 'Johnson oorlogsmisdadiger volgens de rechtsnormen van Neurenberg en Tokio'. Justitie trad niet op.

 

Burgerlijke ongehoorzaamheid
In 1972 promoveerde Kees Schuyt op het onderwerp Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid. De Vietnamoorlog was nog gaande en burgerlijke ongehoorzaamheid vormde een actueel thema. Als definitie van burgerlijke ongehoorzaamheid formuleerde hij ‘het opzettelijk overtreden van de wet of het negeren van bevelen van de overheid met een politiek doel’.

Vervolgens benoemde Schuyt de volgende tien kenmerken van burgerlijke ongehoorzaamheid:

  • De handeling is illegaal.
  • De handeling is gewetensvol.
  • Er is een betekenissamenhang tussen bekritiseerd object en gekozen handelwijze.
  • De handeling is weloverwogen.
  • De handeling geschiedt openlijk.
  • De deelnemers werken vrijwillig mee aan arrestatie en vervolging.
  • De deelnemers aanvaarden het risico van een straf.
  • De deelnemers hebben van tevoren legale middelen geprobeerd.
  • De handeling is geweldloos.
  • De rechten van anderen worden zoveel mogelijk in acht genomen.

Over het algemeen wordt aan het rijtje van tien van Schuyt tegenwoordig nog een elfde toegevoegd:

  • de handeling vindt nooit plaats uit louter eigenbelang.

Vrees voor vijandig publiek
Van een overheid mag je verwachten dat ze zich niet inhoudelijk bemoeit met demonstraties. Zo kan het voorkomen dat betogende extreme groeperingen beschermd moeten worden tegen 'brave burgers' die zich opwinden over de demonstratie. De gedachten en uitingen van de demonstranten roepen bij het publiek wanordelijkheden en intolerant gedrag op.
Vaak wordt voor deze problematiek de term 'hostile audience' gebruikt, ofwel 'vijandig publiek'. Soms gaat het om mensen die proberen een demonstratie verbaal en fysiek te verstoren, soms organiseren de tegenstanders een tegendemonstratie op hetzelfde tijdstip en het liefst op dezelfde plek.

Een voorbeeld van een dilemma door een 'hostile audience' is de koranverbranding door Edwin Wagensveld van de anti-islambeweging Pegida in januari 2024 in Arnhem waarna rellen uitbraken toen tegendemonstranten hem aanvielen. Burgemeester Ahmed Marcouch zei het als zijn plicht te beschouwen om demonstraties te faciliteren. Zelfs als er daarbij een koran wordt verbrand, want zo’n actie is in Nederland niet strafbaar.
Toen Wagensveld niet lang daarna liet weten nog een koran in Arnhem te willen verbranden, verbood Marcouch de demonstratie. Toen hij begreep dat Wagensveld van plan was om toch te komen, legde Marcouch hem een gebiedsverbod  van een halfjaar op.
In Trouw van 23 maart 2024 noemde Marcouch het gebeurde een 'duivels dilemma': ‘Het demonstratierecht is cruciaal. Dat koester ik en dat moeten we met z'n allen verdedigen. Maar we zitten ook met het risico op wanordelijkheden door een tegendemonstratie en de impact van de terreurdreiging die er op dit moment is.’

In de loop van de tijd heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens min of meer een aantal criteria  rond 'hostile audience' vastgesteld.

  • De overheid moet niet te snel uit angst voor wanordelijkheden een demonstratie verbieden. Er is altijd een zeker risico dat een demonstratie wordt verstoord. Is de angst van de overheid gegrond, zijn er duidelijke aanwijzingen dat het uit de hand gaat lopen dan is een verbod op zijn plaats.
  • De overheid mag geen tegendemonstratie weigeren omdat die demonstranten op dezelfde plaats op dezelfde tijd willen demonstreren.
  • Mensen moeten een demonstratie kunnen houden zonder bang te hoeven zijn dat ze aangevallen worden door tegendemonstranten. Autoriteiten hebben de verplichting om niet alleen demonstraties, maar óók tegendemonstraties te faciliteren en te beschermen.
  • De overheid hoeft geen garantie te geven op het recht van demonstratie en tegendemonstratie. Het is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.

Wat mag en niet mag
In augustus 2020 heeft het College voor de Rechten van de Mens naar aanleiding van de acties van boeren tegen de stikstofmaatregelen, de Black Lives Matter-demonstraties en de protesten tegen de corona-maatregelen op rij gezet wat wel en wat niet mag tijdens een demonstratie.

  • De overheid moet de uitoefening van het recht op demonstratievrijheid faciliteren.
    Het is niet toegestaan een demonstratie zomaar af te lasten of te verplaatsen naar een onaantrekkelijk tijdstip of naar een plek waar niemand je ziet.
  • Het faciliteren van een demonstratie betekent ook dat de overheid de deelnemers beschermt.
    Bij tegendemonstraties en vijandige reacties vanuit het publiek moet de overheid zich inspannen om de demonstratie toch door te laten gaan.
  • De bescherming die het recht op demonstratievrijheid biedt, komt alleen toe aan vreedzame betogingen.
    De overheid mag betogingen beëindigen als de deelnemers gebruikmaken van geweld tegen personen of objecten. Demonstraties mogen ook geen haatgevoelens propageren die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld.
  • Het recht op demonstratievrijheid is niet absoluut.
    Onder strikte voorwaarden mag de overheid een demonstratie beperken of zelfs verbieden. Art. 9 Gw zegt dat dat de overheid het recht op demonstratievrijheid mag beperken als dit nodig is om de gezondheid te beschermen, in het belang van het verkeer of om wanordelijkheden te bestrijden of voorkomen. Besluit een overheid een demonstratie te verbieden of te beperken, dan moet zij in dit besluit duidelijk maken waarom dit gerechtvaardigd en noodzakelijk is.
  • Bij het beperken of verbieden van een demonstratie moet de overheid een belangenafweging maken.
    De overheid moet kiezen voor de minst ingrijpende maatregel die zij tot haar beschikking heeft (subsidiariteit). Daarnaast moet de overheid afwegen of de maatregel daadwerkelijk nodig is om het doel - bijvoorbeeld het voorkomen van verkeershinder - te bereiken (proportionaliteit).

 

REGELS VOOR HET ORGANISEREN VAN DEMONSTRATIES

  • Een demonstratie van tevoren aanmelden is verplicht. (Sommige gemeenten hebben daar een digitaal formulier voor.)
    N.B. Het melden van een demonstratie volstraat, een demonstratievergunning bestaat niet!
  • Een eenmansprotest hoeft niet te worden aangemeld.
  • Afspraken maken tussen organisatie en gemeente over het verloop van een demonstratie is mogelijk, maar is niet verplicht.
  • Alleen de burgemeester kan beperkingen of voorwaarden opleggen aan een demonstratie.
  • Alleen de burgemeester kan een demonstratie verbieden.
  • Er kunnen extra beperkingen gelden rond bijzondere locaties (ambassade, regeringsgebouwen en dergelijke).

 

REGELS TIJDENS DEMONSTRATIES

  • De politie mag vragen naar het kennisgevingsformulier van de demonstratie.
  • Een demonstratie mag niet worden beëindigd uitsluitend vanwege niet-aanmelden.
  • Politie mag vragen naar een identiteitsbewijs, mits nodig voor opsporing of beveiliging.
  • Niet de politie, maar alleen de burgemeester kan een demonstratie laten beëindigen.

Eventueel kan een gemeente aanvullende regels (binnen het wettelijke kader) in haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opnemen. Deze kunnen dan ook per gemeente verschillen.

 

TOELICHTING OP ONDERDELEN

Lid 1   'Behoudens ieders verantwoordelijkheid'
De laatste woorden van het eerste lid geven de wetgever de mogelijkheid om beperkingen aan te brengen in het demonstratierecht. Deze zijn - zoals boven aangegeven - uitgewerkt in de Wet openbare manifestaties.

Lid 2   'Regels stellen'
Het tweede lid geeft de overheid de mogelijkheid de ruimte om burgers beperkingen op te leggen in de volgende drie gevallen :

  • ter bescherming van de gezondheid
  • in het belang van het verkeer
  • ter bescherming of voorkoming van wanordelijkheden


GESCHIEDENIS

Staatsregeling 1798
Het recht op vereniging dook samen met het recht op vergadering voor het eerst op in de Staatsregeling 1798.
Artikel 18 zag er als volgt uit:

recht vergadering 1797.'

Grondwet 1848
Vervolgens verdween het recht op vergadering een tijdje achter de constitutionele horizon om in 1848 terug te keren als artikel 10 van de Grondwet:

000000 Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend. De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde.


De beperking 'in het belang der openbare orde' werd in 1855 geregeld in de Wet vereeniging en vergadering.

Thorbecke toonde zich overigens geen voorstander van een dergelijke constructie:
Wat baat de erkenning van een recht in de Grondwet, welks uitoefening afhangt van de wet? Beter dan, eenvoudig te zeggen: het regt van vereeniging wordt door de wet geregeld. Ook eene Grondwet moet oprecht zijn, en niet den schijn aannemen iets te geven wat zij inderdaad onthoudt.

Vereniging en vergadering in één artikel
Vanaf 1848 tot de grondwetswijziging van 1983 stonden het recht van vereniging en het recht van vergadering samen in één artikel. Men ging uit van de niet onlogische gedachte dat als je als vereniging iets wilt bereiken, het onontkoombaar is dat je ook met elkaar vergadert.
De Grondwet van 1983 bracht daar verandering in door het verenigingsrecht in art. 8 en het vergaderingsrecht in art. 9 te regelen. De twee rechten werden apart opgenomen, zodat ze op verschillende wijze beperkt kunnen worden. Ook in veel internationale verdragen is voor zo'n verdeling gekozen.

  • Artikel 8 kent alleen een beperking bij wet. In vergelijking met de Grondwet van 1848 is het recht niet alleen aan de ingezetenen voorbehouden, maar geldt het voor iedereen. De verplichting richting de overheid is vervangen door de soepele formulering 'kan worden beperkt'.
  • Artikel 9 geeft aan dat het recht tot vergadering ook op een andere manier kan worden beperkt door het voorbehoud te maken 'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet'. Vergeleken met oudere Grondwetsartikelen is het recht op vergadering uitgebreid met het recht te mogen betogen.

 

NIEUWSITEMS

 

ACTUEEL

 

ONDERZOEK NAAR INSTRUMENTARIUM WET OPENBARE MANIFESTATIES

Naar aanleiding van de demonstraties van de actiegroep Extinction Rebellion op de A12 in Den Haag laat minister Dilan Yeşilgöz van Veiligheid en Justitie onderzoeken of  de huidige instrumenten van de Wet openbare manifestaties nog wel voldoen.

Burgemeester Jan van Zanen van de gemeente Den Haag vond het blokkeren van de snelweg voor onbepaalde tijd geen acceptabele manier van demonstreren vond. Naar zijn oordeel was er zelfs sprake van een ontwrichting van de openbare orde.

VVD-Kamerlid Ingrid Michon vroeg in november 2022 in een Kamermotie dat een burgemeester moet kunnen optreden tegen een demonstratie die niet meer gaat om het gezamenlijk uitdragen van een mening, maar om fysieke dwang.
Minister Yeşilgöz heeft toen in een eerste reactie gezegd dat de bescherming van het demonstratierecht in beginsel alleen geldt voor vreedzame betogingen die gericht zijn op gezamenlijke meningsuiting. Een kleine verstoring van de openbare orde was volgens haar echter nog geen grond voor het beperken van een demonstratie. Wel voegde de minister eraan toe dat een oordeel vellen over een specifieke demonstratie niet aan haar is, maar aan de burgemeester, omdat het primair een lokale bevoegdheid is.

 

CAMPAGNE AMNESTY OM DEMONSTRATIERECHT TE BESCHERMEN

Het demonstratierecht staat in Nederland volgens een onderzoek van Amnesty International in toenemende mate onder druk. Ondanks het feit dat verreweg de meeste demonstraties vreedzaam verlopen, worden demonstraties te vaak onnodig ingeperkt. Amnesty start daarom de campagne Right to Protest om het demonstratierecht te beschermen

Uit een opiniepeiling in opdracht van Amnesty blijkt dat 54 procent van de Nederlanders vindt dat demonstraties nodig zijn om tot maatschappelijke veranderingen te komen. Maar liefst 72 procent zegt dat iedereen vrij moet zijn om ergens voor of tegen te demonstreren.
Opvallend in het onderzoek is dat het recht om vreedzaam te demonstreren sterk afhankelijk blijkt van het thema van een demonstratie. Directeur Dagmar Oudshoorn van Amnesty International Nederland zegt erover dat demonstraties vaak worden gezien als een veiligheidsrisico in plaats van een mensenrecht dat zo goed mogelijk moet worden gefaciliteerd: ‘Demonstreren is geen gunst, maar een recht.’

Met haar campagne Right to Protest wil Amnesty de kennis bij het publiek en de lokale overheid vergroten. Ook wil Amnesty dat de Nederlandse wet- en regelgeving in lijn komt met internationale verdragen.
Amnesty vraagt de Nederlandse gemeenten om het Manifest Demonstratierecht te ondertekenen. Concrete punten in het manifest zijn onder andere:

  • De termijnen en aanmeldprocedures voor de kennisgeving zijn laagdrempelig en toegankelijk voor iedereen.
  • Elke demonstratie is anders, dus beoordeelt de gemeente elke demonstratie apart.
  • Geen kennisgeving of een te late kennisgeving is nooit een reden om een demonstratie te beperken, laat staan deze te verbieden.
  • De gemeente legt alleen beperkingen op die strikt noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  • De burgemeester geeft alleen in zeer uitzonderlijke situaties een noodbevel af.
  • Na afloop van een demonstratie gaat de gemeente met alle betrokkenen in gesprek om het verloop te evalueren en te kijken waar het beter kan.

 

RECHTER HANDHAAFT VERBOD OP DEMONSTRATIES MET TRACTOREN

Sinds het najaar van 2019 is de tractor hét symbool van het boerenprotest geworden. Begin juli 2020 verboden de veiligheidsregio's in Noord-Nederland voor enige tijd demonstraties met tractoren. De actiegroep Farmers Defence Force spande daarop een kort geding aan tegen het besluit dat op 9 juli 2020 diende bij de rechtbank van Groningen.

Tijdens de zitting benadrukten de veiligheidsregio’s dat de boerendemonstraties regelmatig hebben geleid tot files en gevaarlijke verkeerssituaties omdat protesterende boeren zich niet aan de veiligheidsregels hielden en de aanwijzingen van de politie niet opvolgden.
Farmers Defence Force stelde tijdens de zitting dat de stem van boeren zonder tractoren niet gehoord wordt en dat je niet alle demonstrerende boeren verantwoordelijk mag stellen voor extreme situaties.

In zijn uitspraak in kort geding zei de de Groninger rechtbank dat een veiligheidsregio bevoegd om het verbod op te leggen 'met het oog op gezondheid, verkeer en het voorkomen van wanordelijkheden'. Van een disproportioneel besluit is dan ook geen sprake, aldus de rechtbank die stelde dat het hier geen absoluut verbod op demonstreren betrof, maar dat het ging om de manier waarop. Het verbod was van 9 juli maandag 13 juli van kracht.

 

DEMONSTRATIEVERBOD ANTI-PIETBETOGERS (1)

Op 11 november 2017 hielden demonstranten op snelweg A7 een groep Anti-Pietbetogers tegen voorafgaand aan de intocht van Sinterklaas in Dokkum. Met behulp van de politie kon de groep de reis voortzetten. De Anti-Pietbetogers hadden toestemming voor een demonstratie, maar uit vrees dat het zaak uit de hand zou lopen verbood de burgemeester dat met een noodbevel.

Naar aanleiding van wat erin in de Friese stad gebeurd was, ontstond een discussie in de pers over het demonstratieverbod. Uitgesproken in zijn mening was hoogleraar Rechtswetenschap Jan Brouwer die in NRC Handelsblad van 19 november een artikel schreef onder de kop ‘Na Bonifatius is bij Dokkum nu het betogingsrecht vermoord’. Brouwer zag zelf geen reden waarom de demonstratie tegen Zwarte Piet na het ‘A7-incident’ niet gewoon kon doorgaan. Hij verweet de tegendemonstranten ‘het opzettelijk storen van een geoorloofde betoging door het verwekken van wanorde hetgeen in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld wordt'.

Risicomijdend gedrag
In het onderzoek Demonstreren, een schurend grondrecht constateert de Nationale ombudsman dat de overheid bij het demonstratierecht naar risicomijdend gedrag neigt. De burgemeester moet demonstraties in zijn gemeente faciliteren en beschermen, zodat demonstranten hun grondrecht kunnen uitoefenen. Overheden beschouwen het demonstratierecht in de praktijk volgens de Nationale ombudsman nog te vaak als onderdeel van een belangenafweging: het recht op demonstreren versus het belang van de openbare orde en veiligheid. Maar demonstratievrijheid is geen onderdeel van een belangenafweging, aldus de ombudsman.
De essentie van het grondrecht tot demonstreren moet voorop staan: de overheid dient zich tot het uiterste in te spannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen. Burgers moeten in vrijheid hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. Elke andere houding van de overheid doet afbreuk aan de kern van het demonstratierecht.

 

DEMONSTRATIEVERBOD ANTI-PIETBETOGERS (2)

Een jaar na de gebeurtenissen in Dokkum liet toenmalig VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff op Facebook een proefballonnetje op over een mogelijk demonstratieverbod voor de tegenstanders van Zwarte Piet tussen de dag van de sinterklaas-intocht en 5 december, omdat ze het kinderfeest aan het 'verkloten' zouden zijn.

Dijkhoff kreeg van alle kanten kritiek op zijn plan. Zo zei hoogleraar algemene rechtswetenschap Jan Brouwer in het Dagblad van het Noorden van 24 november 2018:
Het voorstel van Dijkhoff is een simplificatie van de werkelijkheid. Het kan niet anders dan zijn ingegeven door onwetendheid. Het heeft geen enkele rechterlijke grond. Dat mensen juist tijdens de sinterklaas-intocht hun pijlen richten op Zwarte Piet vind ik volkomen begrijpelijk. Dat zo’n burgemeester van Tilburg de demonstranten om 8 uur ’s ochtends de kans geeft op een industrieterrein te demonstreren, is een faliekante schending van dat recht. Het is juist de essentie dat ze hun stem kunnen verheffen op een plaats waar ze gezien en gehoord worden.

In NRC Handelsblad van 24 november 2018 citeerde hoofdredacteur Folkert Jensma uitgebreid het vonnis van de rechtbank in Leeuwarden van 9 november 2018 die de groep 'Blokkeerfriezen' tot flinke straffen veroordeeld had:
De burgemeester heeft tot taak, met hulp van de politie, al het mogelijke te doen om dat recht op demonstratie mogelijk te maken en ook te beschermen. Hoe impopulair die mening ook is. Want 'juist impopulaire meningen die lokaal mogelijk op verzet kunnen rekenen' moet de overheid beschermen. Sterker, 'de burgemeester mag geen belangenafweging maken tussen de demonstratievrijheid en de belangen van de openbare orde'. Zijn er risico’s, bijvoorbeeld op basis van ervaringen uit het verleden, dan moet er meer politie komen, zodat er juist kan worden gedemonstreerd.
Jensma eindigt zijn commentaar met:
Niet jouw politieke opvattingen of de demonstranten een redelijk of een ‘extreem’ doel bepleiten, zijn hier maatgevend. Noch de mate waarin die burgers van hun eigen gelijk zijn overtuigd. In een vrij land hoort de overheid daar zolang mogelijk ruimte voor te maken, totdat het écht niet meer gaat. Daar hoort iedere parlementariër dus mede borg voor te staan. In het bijzonder ook als het om onwelgevallige meningen gaat, die kunnen schokken, kwetsen of verontrusten. Dat is wat de burger van een volksvertegenwoordiger mag verwachten. Ook van jou.

 

Vrouwe Justitia 7 KLEINJURISPRUDENTIE

BESTUUR VERENIGING GEDETINEERDEN EIST VERGADERRUIMTE

In het arrest Vereniging Gedetineerden De Schans uit 1982 heeft de Hoge Raad een belangijke uitspraak gedaan over beperkingen op de vrijheid van vergadering bij gedetineerden. Het besluit van de directeur van de penitentiaire inrichting om geen vergaderruimte beschikbaar te stellen werd door de hoogste Nederlandse rechter 'niet onjuist' geacht.

De Vereniging van Gedetineerden De Schans vroeg de directeur van het huis van bewaring om vergaderruimte voor de wekelijkse bestuursvergaderingen beschikbaar te stellen. Toen de directeur dit weigerde, vroeg het bestuur aan de rechtbank om de Staat der Nederlanden de directeur de opdracht te geven om alsnog ruimte beschikbaar te stellen.
De rechtbank stelde de vereniging in het gelijk. De Staat stapte daarop naar het hof die het vonnis van de rechtbank vernietigde en de vordering van de vereniging afwees. Het cassatieberoep van de vereniging bij de Hoge Raad werd uiteindelijk verworpen.

Beperking grondrecht
De Hoge Raad stelde dat gedetineerden in beginsel aansprak kunnen maken op het recht van vergadering zoals dat in art. 9 Gw en in verschillende Europese en internationale verdragen is vastgelegd. Steeds echter bevatten de betreffende artikelen een clausule dat een beperking van het grondrecht toegestaan is als dit bij wet voorzien is.
De Hoge Raad haalde vervolgens de Beginselenwet Gevangeniswezen en het Huishoudelijk Reglement van De Schans erbij en kwam tot de conclusie dat directeur wel degelijk bevoegd was om te besluiten geen vergaderruimte ter beschikking te stellen. Het was weliswaar een beperking van het grondrecht, maar volgens de Hoge Raad 'moet worden aanvaard dat degenen aan wie rechtmatig hun vrijheid is ontnomen, door een beschikking van de daartoe krachtens voornoemde wettelijke bepalingen bevoegde directeur van het betreffende gesticht kunnen worden beperkt in de uitoefening van hun grondrecht voor zover die uitoefening zich niet met de vrijheidsbeneming verdraagt'.
Het besluit van de directeur van De Schans om geen vergaderruimte beschikbaar te stellen werd ondanks de beperking van het grondrecht dan ook niet onjuist geacht.
Opmerkelijk in dit arrest is volgens de juristen dat de Hoge Raad niet alleen de wet, maar ook het huishoudelijk reglement ('een beschikking van een daartoe bevoegd orgaan') in zijn oordeel betrok.
Uitspraak Hoge Raad uit 1982 niet digitaal beschikbaar (HR 25.06.1982, NJ 1983/296)

 

EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.
  • In onze Grondwet zijn het recht op vrijheid van vereniging (art. 8 Gw) en vrijheid van vergadering en betoging (art. 9 Gw) gesplitst. Europees recht vat ze samen, vandaar dezelfde verwijzingen naar artikelen in EVRM en Handvest Grondrechten.

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 11 EVRM   Sterker dan de Nederlandse wetgeving legt het tweede lid van art. EVRM de staat expliciet de plicht op om met passende maatregelen te komen om demonstranten te beschermen tegen bedreigingen met geweld van de kant van tegenstanders.

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 12 Hv   In lid 2 van dit artikel wordt nog even apart genoemd dat politieke partijen ook onder dit grondrecht vallen.

Uitgelicht

Het kan wéér gruwelijk mis gaan

De risico’s die tot het Toeslagenschandaal hebben geleid, zijn niet verdwenen, stelde voorzitter Van Nispen van de enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening:vast bij de presentatie van hun eindrapport Blind voor mens en recht:
De blindheid voor mensen en voor hun rechten is er nog steeds. Een indringende constatering is dan ook dat het wéér gruwelijk mis kan gaan. Dit kan morgen weer gebeuren, zo lang de overheid zich niet aan de eigen wetten houdt. Zo lang grondrechten niet worden gerespecteerd, waarborgen ontbreken en rechtsstatelijk handelen niet dagelijks in praktijk wordt gebracht. Zo lang geen invulling wordt gegeven aan macht en tegenmacht. Zo lang de staatsmachten blind blijven voor mens en recht. Zo lang blijft het risico bestaan dat mensen door overheidshandelen worden vermorzeld. Dat kan ieder van ons overkomen.

 

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

bovendeert

Bovend’Eert en Kummeling
Het Nederlandse Parlement (13e druk)

Inmiddels zijn er zeven jaar verstreken sinds staatsrechtdeskundigen Paul Bovend’Eert en Henk Kummeling de vorige druk van de klassieker Het Nederlandse Parlement verzorgden. De eerste druk verscheen in 1938.
De nieuwe dertiende druk moest op tal van punten worden aangepast. Zo hebben de Tweede en Eerste Kamer resp. in 2021 en 2023 een nieuw reglement van orde gekregen. Andere belangrijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren waren het vaststellen van gedragscodes voor Kamerleden en de ontwikkelingen in de onderlinge verhoudingen tussen Tweede en Eerste Kamer tijdens de laatste kabinetten-Rutte. Verder staan Bovend’Eert en Kummeling uiteraard ook stil bij de nasleep van de Kinderopvangtoeslagaffaire en de daaruit voortvloeiende roep om een nieuwe bestuurscultuur.
(29.03.2024)

Bekijk overzicht nieuwe boeken

Knipoog

Tusschen kapitaal en arbeid

Samuel van Houten had als Kamerlid in 1871 de degens gekruist met minister-president Thorbecke toen hij met het initiatief kwam om kinderarbeid aan banden te leggen. Als voorman van de ‘jong-liberalen’ bestreed Van Houten de opvattingen van staatsonthouding die Thorbecke en zijn generatie liberalen steeds hadden gepropageerd. In 1872 verwoordde hij zijn kritiek op Thorbecke in de brochure De staatsleer van Thorbecke:
In den strijd tusschen kapitaal en arbeid dreigt de laatste te worden onderdrukt. Bij de verdeeling van leertijd, werktijd en rusttijd worden de krachten der machinerien en de eischen der concurrentie, niet de krachten van den werkman en de eischen der ontwikkeling van hem en zijn gezin tot maatstaf gesteld.'
(13.05.24)

Bekijk oude afleveringen Knipoog