Website over de 23 grondrechten in de Grondwet

Grondrechten

Artikel 4

Iedere Nederlander van achttien jaar en ouder mag stemmen. Ook mag je dan in de gemeenteraad, de provinciale staten en de Tweede Kamer worden gekozen.

 

TEKST GRONDWET

000000 Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

 

ALGEMENE TOELICHTING

Actief en passief kiesrecht
Art. 4 Gw gaat over het actief kiesrecht (= het recht om te kiezen) en het passief kiesrecht (= het recht om te worden verkozen).
Bij gemeenteraden, provinciale staten en Tweede Kamer kent Nederland rechtstreekse verkiezingen. Voor de Eerste Kamer hebben we zogeheten getrapte verkiezingen. Hier kiezen de burgers de leden van Provinciale Staten. Vervolgens kiezen de Statenleden de Eerste Kamer. Dit laatste is geregeld in art. 55 Gw.

Klassieke grondrechten
De meeste van de eerste 23 artikelen in de Grondwet worden klassieke grondrechten genoemd. Het gaat hier om rechten die de burgers tegen een oppermachtige staat moeten beschermen. In die zin is art. 4 Gw niet klassiek.
Bovendien kent het artikel ook geen zogeheten horizontale werking. Dat wil zoveel zeggen als: als de buurman het mag, dan mag ik het ook. Ook dit is bij dit kiesrechtartikel feitelijk niet relevant.

Gelijkelijk recht
Nadrukkelijk zegt art. 4 Gw dat iedere Nederlander gelijkelijk recht heeft om te kiezen en gekozen te worden. In Nederland telt elke stem voor één stem. Uiteraard mag je wel stemmen bij volmacht waarbij je als stemmer méér stemmen mag uitbrengen.
Art. 53 lid 1 Gw bepaalt dat de leden van beide kamers gekozen worden op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

Er is één uitzondering op de regel dat je het Nederlanderschap moet hebben om aan Nederlandse verkiezingen te mogen deelnemen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen mogen namelijk ook de niet-Nederlanders die in de gemeente staan ingeschreven, aan de verkiezingen deelnemen.
Zie verder bij EUROPEES RECHT.

Kiesrecht elders in de Grondwet
Een aantal zaken rond het kiesrecht en de instituties is elders in de Grondwet geregeld:

Art. 54 lid 1      
Actief kiesrecht vanaf 18 jaar
Art. 54 lid 2

Bij een veroordeling van een gevangenisstraf van
tenminste één jaar kan ook het kiesrecht worden
afgenomen

Art. 50 t/m 64       
Inrichting en samenstelling Staten-Generaal
Art. 65 t/m 72
Werkwijze Staten-Generaal
Art. 129-130
Kiezen gemeenteraad en Provinciale Staten

 

Geheime stemming
Art. 53 lid 2 Gw zegt dat de verkiezingen bij geheime stemming worden gehouden. Dit artikel werd verrassend actueel toen enkele jaren geleden verzet werd aangetekend tegen het gebruik van de stemcomputer.
Zie hieronder bij ACTUEEL.

 

UITWERKING SPELREGELS IN KIESWET

In de Kieswet van 1989 staan tot in detail de spelregels rondom het kiezen en gekozen worden. Aan het eind staat een overzicht van de twintig kieskringen waarin Nederland is verdeeld. De Kieswet wordt sindsdien regelmatig geactualiseerd.

Een tip voor hardwerkende Nederlanders: art. 10 van de Kieswet zegt dat je als werknemer maximaal twee uur vrij kunt krijgen om te kunnen stemmen!

Kiesdeler
Bij het bepalen van het aantal zetels is de kiesdeler het uitgangspunt. Dit is het totale aantal uitgebrachte geldige stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels.
De Tweede Kamer heeft 150 zetels. Bij de Kamerverkiezingen van maart 2021 werden 10.422.852 geldige stemmen uitgebracht. De kiesdeler kwam daarmee uit op 70.106,94.

Kiesdrempel
De drempel om één van de 150 zetels te veroveren is 0,67 procent (1/150). Dit wordt een natuurlijke kiesdrempel genoemd.
Veel landen om ons heen hebben hogere kiesdrempels die zijn vastgesteld om te voorkomen dat er teveel kleine partijen in het parlement komen. Landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en een kiesdrempel zijn bijvoorbeeld Duitsland (kiesdrempel 5%), België (5%) en Spanje (3%).

Restzetelverdeling
Nadat op basis van de kiesdeler het aantal toe te wijzen volle zetels is bepaald, worden de restzetels verdeeld. Bij de laatste Kamerverkiezingen waren er 139 volle zetels en er bleven dus elf restzetels over.

  • Om de restzetels te verdelen wordt voor elke lijst bij het aantal volle zetels één zetel opgeteld.
  • Het aantal uitgebrachte stemmen wordt daarna door het nieuwe aantal zetels gedeeld.
  • Zo wordt voor elke lijst het gemiddeld aantal stemmen per zetel berekend voor het geval de te verdelen restzetel naar die lijst zou gaan. De lijst met het grootste gemiddelde krijgt de eerste restzetel toebedeeld.
  • Zolang er restzetels te verdelen zijn wordt deze procedure herhaald waarbij steeds voor de partij die net een restzetel kreeg, die extra zetel meetelt in het berekenen van het gemiddelde.

Voorkeurstemmen
De meeste mensen stemmen op de bovenste naam van de lijst, ofwel de lijsttrekker. Geef je de voorkeur aan iemand anders op de lijst, dan is dat een voorkeurstem. Veel vrouwen stemmen bijvoorbeeld op de eerste vrouw op de lijst. Soms zijn voorkeurstemmen min of meer een protestsignaal, omdat de partij iemand op een te lage plaats heeft gezet.
De Kieswet biedt de mogelijkheid om iemand die op grond van de lijst niet wordt gekozen, toch in de Kamer te krijgen. Om met voorkeurstemmen in de Tweede Kamer te komen heb je 25 procent van de kiesdeler nodig.

Een van de suggesties in het eindrapport Lage Drempels, hoge dijken van de Staatscommissie Parlementair stelsel uit 2018 om de kiezers zich beter in ons democratische systeem vertegenwoordigd te laten voelen is het uitbreiden van de mogelijkheden van het voorkeurstemmen. Het kabinet heeft daarop beloofd een voorstel om de Kieswet te wijzigen uit te werken.
Zie hieronder bij ACTUEEL.

 

KIEZERSDEMOCRATIE EN PARTIJENDEMOCRATIE

In Nederland is kiesrecht het recht van individuen en gaat het om burgers die kiezen en gekozen kunnen worden. In de praktijk echter is het vrijwel onmogelijk om gekozen te worden zonder lid te zijn van een politieke partij.

Van der Pot wijst er in zijn Handboek van het Nederlandse staatsrecht op dat er tussen de letter van de wet en wat hij de 'constitutionele werkelijkheid' noemt, wel enig licht zit (16e druk, pag. 552):
Vanuit de Grondwet bezien is ons land een kiezersdemocratie en wel omdat de volksvertegenwoordigingen door de kiezers worden samengesteld, terwijl daarbij niet wordt gerept over een rol van politieke partijen. Kijkt men naar de constitutionele werkelijkheid dan is Nederland een partijendemocratie, omdat zowel bij verkiezingen als in het functioneren van de volksvertegenwoordigingen politieke partijen - en de met hen verwante fracties - een dominante rol spelen.

'Zetelroof' door Kamerleden
Afsplitsingen zijn vaak een bron van kritiek. De partij waar de betrokken parlementariër voor in de Kamer zit, zal hem of haar onmiddellijk onder druk zetten de zetel terug te geven aan de partij. In Nederland vinden we nu eenmaal dat Kamerzetels aan politieke partijen toebehoren. Volgens het Nationale Kiezersonderzoek uit 2017 vond 80 procent van de ondervraagden dat afgesplitste Kamerleden hun zetel zouden moeten teruggeven.
In NRC Handelsblad van 13 mei 2020 schreef politicoloog Tom van der Meer een artikel over deze zaak onder de titel: 'Accepteer dat af en toe een Kamerlid afsplitst':
Parlementariërs worden bij Grondwet geacht te stemmen zonder last, als autonome leden van de Staten-Generaal. De zetel is van het gekozen Kamerlid dat op de kieslijst stond; niet van de fractie, en al helemaal niet van een of ander partijbestuur. Het frame ‘zetelroof’ dat vaak bij afsplitsingen klinkt, is staatsrechtelijke onzin. En met reden. De Grondwet zorgt dat de toch al bijzonder grote greep van de partij op Kamerleden nog enigszins beperkt blijft.

Van der Meer noemt het feit dat grondwettelijk onafhankelijke Kamerleden botsen met een fractie of een partij een 'in ons politieke systeem ingebakken paradox'. Kamerleden moeten zonder last stemmen, maar ze worden verkozen via kandidatenlijsten van politieke partijen.
Hij eindigt zijn artikel met de volgende regels:
De wortel van het probleem zit niet bij het parlement of het kiesstelsel, maar bij de politieke partijen. Partijen zoeken enerzijds naar geprofileerde kandidaten die met een eigen geluid een specifieke achterban kunnen aanspreken. Tegelijkertijd willen zij deze politici, eenmaal verkozen, binden aan de fractielijn. Die tucht is in Nederland wel bijzonder streng. Zolang politieke partijen in hun spagaat staan, blijven afsplitsingen een vervelende noodzaak.

 

FINANCIERING POLITIEKE PARTIJEN

Landelijke politieke partijen komen in aanmerking voor een subsidie van de rijksoverheid. Voorwaarde is dat een politieke partij minimaal 1000 leden heeft die stemrecht hebben en contributie betalen.
De subsidies gebruiken politieke partijen onder andere voor onderzoek en scholing, maar ook om nieuwe leden te werven. Dit is geregeld in de Wet financiering politieke partijen.

Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten politieke partijen elk jaar voor 1 juli hun financiële stukken voorleggen aan de minister van Binnenlandse Zaken.

Subsidiebedragen
In art. 8 van de Wet financiering politieke partijen worden de volgende subsidiebedragen genoemd:

  • een basisbedrag van € 336.630 voor de partij
  • per kamerzetel een bedrag van € 99.424
  • per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 3.625.518 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen

Giften
Politieke partijen kunnen onder voorwaarden giften van particulieren ontvangen:

  • Giften aan politieke partijen mogen maximaal 100.000 euro per donateur per jaar bedragen.
  • Anonieme giften mogen maximaal 250 euro bedragen.
  • Giften uit het buitenland zijn in beginsel verboden (m.u.v. in het buitenland woonachtige kiesgerechtigden).
  • Giften vanaf 1000 euro per donateur per jaar moeten openbaar worden gemaakt..
  • Giften vanaf 10.000 euro per donateur per jaar moeten binnen drie dagen na ontvangst worden gemeld.

 

OVERZICHT EERSTVOLGENDE VERKIEZINGEN

Hieronder hebben we alle eerstvolgende Nederlandse verkiezingen op een rijtje gezet.

  • De meeste verkiezingen vinden om de vier jaar plaats. Alleen de Europese verkiezingen zijn om de vijf jaar.
  • Bij Kamerverkiezingen is het een politiek gebruik geworden om na een kabinetscrisis tussentijds tot nieuwe verkiezingen te besluiten.
  • Verkiezingen zijn in Nederland vrijwel altijd rechtstreeks. Alleen de leden van de Eerste Kamer worden niet door de Nederlandse kiezers, maar door de leden van de nieuwe Provinciale staten gekozen.
  • Veel landen organiseren hun verkiezingen op zondag, omdat de meeste mensen dan vrij zijn. In Nederland reserveren we de zondag van oudsher voor andere besognes en is het gebruikelijk om de verkiezingen op woensdag te houden. Vaak worden verkiezingen in het voorjaar gehouden. Dan schijnt de opkomst het hoogste te zijn.
  • Voor de Kamerverkiezingen in maart 2021 waren om drukte in coronatijd te voorkomen drie data aangewezen. Daarnaast bestond voor kiezers van 70 jaar en ouder voor het eerst de mogelijkheid om per brief te stemmen.

 

Europees parlement 6 juni 2024
Gemeenteraad maart 2026
Stadsdeelraad Amsterdam en Rotterdam maart 2026

Provinciale Staten

maart 2027
Waterschap maart 2027
Eilandsraad Bonaire, Saba en Sint Eustatius     maart 2027
Eerste Kamer mei 2027 (gekozen door Prov. Staten)
Tweede Kamer 2027

 

 

RESULTATEN TWEEDE KAMERVERKIEZINGEN NOVEMBER 2023

Partijen TK23

partijen           stemmen             zetels 2023           zetels 2021           zetels 2017
PVV 2.450.878 37 17 20
GroenLInks / PvdA 1.643.073  25 17 (8/9) 23 (14/9)
VVD 1.598.519 24 34 33
NSC 1.343.287 20 - -
D66 656.292 9 24 19
BBB 485.551 7 1 -
CDA 345.822 5 15 19
SP 328.225 5 9 14
DENK 246.765 3 3 3
Partij voor de Dieren 235.148 3 6 5
Forum voor Democratie 232.963 3 8 2
SGP 217.270 3 3 3
CU 212.532 3 5 5
VOLT 178.802 2 3 -
Ja21 71.345 1 3 -
BVNL / Haga 52.913 - - -
50-plus 51.043 - 1 4
Bij1 44.253 - 1 -


Uitgebrachte stemmen TK 2023

aantal kiesgerechtigden           13.473.750
aantal uitgebrachte stemmen 10.475.203
aantal geldige stemmen 10.432.726
aantal blanco stemmen 19.655
aantal ongeldige stemmen 22.822
aantal stemmen buitenland 69.047
aantal stemmen per volmacht 996.512
kiesdeler (geldige stemmen/150)     69.551

 

Opkomstpercentages TK 2023

  • 2010     75,4 procent
  • 2012     74,6 procent
  • 2017     81,9 procent
  • 2021     78,7 procent
  • 2023     77,7 procent

Voorkeurstemmen TK 2023
Bij de verkiezingen van 2023 waren er 17.388 stemmen voor een zetel nodig. In totaal hadden 38 kandidaten meer stemmen dan de voorkeurdrempel (25 procent kiesdeler).
Deze keer werd slechts één Kamerlid die op een lagere plaats op de lijst stond, via voorkeurstemmen toch gekozen. Dit was Daniëlle Hirsch van Groen Links/PvdA.

Restzetelverdeling TK 2023
Nadat op basis van de kiesdeler het aantal toe te wijzen volle zetels is bepaald, worden de restzetels verdeeld. (Zie hierboven voor de berekening van de restzetels.)
Bij deze verkiezingen waren er 140 volle zetels en er bleven dus tien restzetels over die als volgt werden verdeeld:

VVD      2 zetels
Groen Links / PvdA 2 zetels
PVV 2 zetels
NSC 1 zetel
BBB 1 zetel
CDA 1 zetel
SP  1 zetel

 

 Verhouding mannen / vrouwen TK 2023

  • 2017     96 mannen     54 vrouwen
  • 2021     91 mannen     59 vrouwen
  • 2023     89 mannen     60 vrouwen   1 X (genderneutrale registratie)

Op www.parlement.com vindt u meer achtergrondinformatie over de Tweede Kamerleden, zoals leeftijd, opleiding en regio.


 

RESULTATEN EERSTE KAMERVERKIEZINGEN MEI 2023

Op 30 mei 2023 brachten 616 stemgerechtigden hun stem uit bij de Eerste Kamerverkiezingen: 572 leden van  Provinciale Staten, de 19 leden van de drie kiescolleges die samen het Kiescollege Caribisch Nederland vormen, en de 25 leden van het Kiescollege Niet-ingezetenen.

 Partijen in de Eerste Kamer

 Partij  2023  2019  2015  2011  2007
 BBB 16        
VVD 10 12 13 16 14
Groen Links 07 08 04 05 04
PvdA 07 06 08 14 19
CDA 06 09 12 11 21
D66 05 07 10 05 02
PVV 04 05 09 10  
SP 03 04 09 08 12
ChristenUnie 03 04 03 02 04
PvdD 03 03 02 01 01
JA21 03        
FvD 02 12      
SGP 02 02 02 01 02
Volt 02        
50Plus 01 02 02  01  
OSF/OPNL 01 01 01  01 01

 

Kiescolleges Eerste Kamerverkiezingen
In 2010 zijn Bonaire, Saba en Sint-Eustatius bijzondere gemeenten van Nederland geworden. Gevolg was dat de Nederlandse staatsburgers daar niet in de gelegenheid zouden zijn om (indirect) hun stem uit te brengen voor de Eerste Kamer. Om het probleem op te lossen is in 2017 art. 132 Gw aangepast. Kiesgerechtigden met een Nederlandse nationaliteit op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius mogen sindsdien tegelijk met de Eilandsraadverkiezingen hun stem uitbrengen op drie kiescolleges die samen het Kiescollege Caribisch Nederland vormen. De in totaal negentien leden van dit kiescollege hebben als enige taak hun stem uit te brengen bij de Eerste Kamerverkiezingen.In de wandelgangen is dit kiescollege wel eens een 'spookprovincie' genoemd.

Met een aanpassing van art. 55 Gw, die op 18 augustus 2022 in het Staatsblad werd gepubliceerd, heeft de 'spookprovincie' er flink wat nieuwe inwoners bij gekregen. Met ingang van de Statenverkiezingen van maart 2023 mogen ook alle Nederlandse ingezetenen in het buitenland stemmen op kandidaten voor hun nieuwe Kiescollege Niet-ingezetenen.
In totaal lieten 37.173 Nederlandse kiesgerechtigden in het buitenland zich registreren voor hun eerste kiescollege. Op basis van dit aantal registraties kunnen er 25 kiescollegeleden gekozen worden.

 

GESCHIEDENIS

Aletta Jacobs en het vrouwenkiesrecht
In 1883 diende Aletta Jacobs, die destijds de eerste vrouw in Nederland was die medicijnen ging studeren en een eigen artsenpraktijk begon, een verzoek in bij de gemeente Amsterdam om haar als kiezer te registreren. Ze stelde dat volgens de Grondwet van 1848  ‘elke meerderjarige ingezeten Nederlander in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten’ op een kieslijst geplaatst mocht worden en dat ook de Kieswet uit 1850 vrouwen niet expliciet van kiesrecht had uitgesloten. De gemeente weigerde haar echter in te schrijven, vervolgens verklaarde de rechtbank haar zaak niet ontvankelijk, dus ging ze in beroep bij de Hoge Raad.

Ook de Hoge Raad stelde Aletta Jacobs in het ongelijk. De raad hanteerde daarbij een redenering die nu hoogst merkwaardig voorkomt:
Ware deze uitbreiding van het kiesrecht door den wetgever beoogd, dit allergewichtigst beginsel ongetwijfeld in duidelijke en ondubbelzinnige termen in de Grondwet en dienvolgens in de Kieswet van 1850 zoude zijn uitgesproken, wat echter niet is geschied.

Concreet gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad was dat bij de grondwetswijziging van 1887 voor alle zekerheid in de betreffende kiesrechtartikelen woorden als ‘ingezetenen’ en ‘Nederlanders’ werden vervangen door ‘mannelijke ingezetenen’ en ‘mannelijke Nederlanders’. Hiermee werd de uitsluiting van vrouwen een voldongen feit, terwijl in 1887 voor mannen de vereisten voor het kiesrecht juist aanzienlijk verruimd werden.
Het duurde tot 1919 voor de vrouwen actief kiesrecht kregen. Pas in de grondwetswijziging van 1922 werden de laatste plooien met betrekking tot het algemeen vrouwenkiesrecht gladgestreken.

Ontwikkeling opkomstplicht
Van 1917 tot 1970 kende Nederland een opkomstplicht bij de verkiezingen. Destijds was de invoering van de evenredige vertegenwoordiging een reden om deze plicht in te voeren. Wilde de Tweede Kamer een zo goed mogelijke afspiegeling van de kiezers zijn, dan moesten die ook allemaal aan de verkiezing meedoen, vond de politiek toen. Wie niet bij de stembus verscheen, kreeg een boete.
Overigens ging het hier om een opkomstplicht, niet om stemplicht. Wat je in het hokje met je stembiljet deed, daar ging de wetgever niet over.

Sinds de invoering van de opkomstplicht zijn er vanuit verschillende politieke partijen voortdurend pogingen gedaan om de opkomstplicht af te schaffen. Uiteindelijk kwam het Kabinet-De Jong in 1969 met een wetsvoorstel met die strekking dat moeiteloos door Tweede en Eerste Kamer kwam. Het jaar daarop werden de gevolgen van de afschaffing van de opkomstplicht voor het eerst zichtbaar. Nog geen 70 procent van de kiezers kwam opdagen bij de Statenverkiezingen.

Op de site van het ministerie van Binnenlandse Zaken vindt u een overzicht van de opkomst sinds 1969..

Ontwikkeling leeftijdsgrenzen
De leeftijd waarop je in Nederland mag stemmen, was lange tijd 25 jaar. In 1917 ging de leeftijd naar beneden naar 23 jaar, vervolgens in 1963 naar 21 jaar en in 1972 naar 18 jaar.
Voor het passieve kiesrecht moest je tot 1963 dertig jaar zijn om verkozen te worden. Bij de grondwetsherziening dat jaar werd de leeftijd verlaagd naar 25 jaar en in 1971 naar 21 jaar. De nieuwe Grondwet van 1983 bracht ook voor het passieve kiesrecht de minimumleeftijd op 18 jaar.

 

NIEUWSITEMS

 

ACTUEEL

 

WET OP DE POLITIEKE PARTIJEN LIGT VOOR ADVIES BIJ RAAD VAN STATE

Minister Hanke Bruins Slot van Binnenlandse Zaken heeft op 22 december 2022 het conceptvoorstel van Wet op de Politieke Partijen gepubliceerd. De wet wil zorgen voor een strenger toezicht op de financiering van politieke partijen en biedt de mogelijkheid om partijen te verbieden die de democratie ondermijnen. Inmiddels ligt het wetsvoorstel voor advies bij de Raad van State.

Beide thema’s hoorden eind 2018 tot de voorstellen die de Staatscommissie Parlementair in haar eindrapport Lage Drempels, hoge dijken noemde om de democratische rechtsstaat te versterken.

Nieuwsitem 'Eindrapport Staatscommissie Parlementair stelsel verschenen' (14.12.2018)

De toelichting op het conceptvoorstel van Wet op de Politieke Partijen zegt dat de nieuwe wet fundamentele rechten als de vrijheid van vereniging en de vrije uitoefening van het actieve en het passieve kiesrecht onderstreept.

De belangrijke regels in het wetsvoorstel zijn:

  • transparantieregels over de interne organisatie
  • regels over de financiering van landelijke politieke partijen
  • regels over de financiering van decentrale politieke partijen
  • transparantieregels over politieke advertenties en zogeheten microtargeting
  • regels over toezicht en sancties door een nieuw op te richten toezichthoudende autoriteit
  • regels over het verbieden van politieke partijen

Na de  internetconsultatie waarin burgers op het wetsvoorstel konden reageren, heeft het kabinet op 8 april 2024 het voorstel van de Wet op de politieke partijen voor advies naar de Raad van State worden gestuurd.

 

TWEEDE KAMER GROEIT IN TWEE JAAR VAN 16 NAAR 21 FRACTIES

De zittingsperiode 2021-2025 van de Tweede Kamer was in juni 2021 nog maar nauwelijks begonnen of de eerste partijconflicten en afsplitsingen waren al een feit. Sinds augustus 2023 is de Tweede Kamer gegroeid van 16 naar 21 fracties.

  • Fractie Den Haan (2021)
    Op 11 mei 2021 maakte Liane den Haan  bekend dat ze 50PLUS had verlaten en als Fractie Den Haan verder ging.
  • Groep Van Haga (2021)
    Op 13 mei 2021 verlieten Wybren van Haga, Hans Smolders en Olaf Ephraim de fractie van Forum voor Democratie en vormden samen de Groep Van Haga.
  • Lid Omtzigt (2021)
    Op 12 juni 2021 maakte Pieter Omtzigt bekend dat hij zijn lidmaatschap van het CDA had opgezegd en als onafhankelijk Kamerlid verder ging.
  • Lid Gündogan (2022)
    Op 10 mei 2022 is Nilüfer Gündoğan als zelfstandig Kamerlid in de Tweede Kamer teruggekeerd nadat ze op 22 maart 2022 door haar partij Volt uit de fractie werd gezet.
  • Lid Olaf Ephraim (2023)
    Op 1 augustus 2023 maakte Olaf Ephraim bekend dat hij de fractie van Groep Van Haga had verlaten en als onafhankelijk Kamerlid verder ging.
  • Eppink (JA21), Helder (PVV) en Pouw-Verweij (JA21) naar BBB-fractie (2023)

    Op 1 september 2023 maakten Derk Jan Eppink (JA21), Lilian Helder (PVV) en Nicki Pouw-Verweij (JA21) bekend die ze hun respectieve fracties hadden verlaten en zich hadden aangesloten bij de fractie van de BBB.

Zie voor achtergrondinformatie Zetelroof door Kamerleden hierboven in het algemene gedeelte.

 

DISCUSSIE OVER MAXIMUMTERMIJN KABINETSFORMATIES

Er bleken 299 dagen nodig om het Kabinet-Rutte IV te kunnen vormen. Steeds meer volgers van de Nederlandse politiek vroegen zich af of je Nederlandse kabinetsformaties voortaan eigenlijk niet aan een maximumtermijn zou moeten binden.

Harry J. Wolf en Bertus Boivin, de makers van deze site www.nederlandsegrondrechten.nl, schreven een artikel onder de titel 'Wegens formatie gesloten' over dit onderwerp:
Als kiezer zie je met de nodige verbazing het formatieproces zich voor je ogen afspelen. Of beter gezegd, je ziet voornamelijk de deuren waarachter de formatie zich kennelijk voortsleept. De hoogtepunten zijn papieren die per ongeluk voor de lens langs draaien, of die iemand in de trein laat liggen. Voor het overige lijkt de Nederlandse politiek maandenlang wegens formatie gesloten.

 

DE OPKOMST VAN DE ‘MINISTER VOOR’

In het Kabinet-Rutte IV namen op 10 januari 2022 twintig ministers en negen staatssecretarissen zitting. Dat zijn er zes meer dan de zestien ministers en zeven staatssecretarissen van Rutte III.

Het meest opvallend is de toename van het aantal ministers zonder portefeuille sinds het vorige kabinet. In Rutte IV zitten acht ministers zonder portefeuille, terwijl Rutte III er slechts vier telde. Er zijn twaalf ministeries, dus zowel Rutte III als Rutte IV hebben twaalf ministers met portefeuille.

De eerste minister zonder portefeuille in de moderne parlementaire geschiedenis was Theo Bot die in het Kabinet-Cals (1965-1966) minister voor Hulp aan ontwikkelingslanden werd. Chris van Veen was als minister voor Wetenschapsbeleid naast de minister voor Ontwikkelingshulp de tweede minister zonder portefeuille in het Kabinet-Biesheuvel II (1972-1973).

Ministers met portefeuille staan in de zetelverdelingen te boek als ‘minister van’, terwijl ministers zonder portefeuille als ‘minister voor’ op de lijst staan.

De groei van het aantal ‘ministers voor’ ten koste van het aantal staatssecretariaten heeft zonder twijfel vooral te maken met de verdeling van functies tussen de formerende partijen. De formatie van Rutte IV laat ook een opwaardering van het vak van de minister zonder portefeuille zien. Zo heeft minister Rob Jetten van Klimaat en Energie weliswaar geen eigen begroting, maar voert hij wel de regie over het Nederlandse klimaat- en energiebeleid met een klimaatfonds waar 35 miljard euro in zit.

  • Ministers wonen alle kabinetsvergaderingen bij, terwijl staatssecretarissen alleen aanwezig zijn als hun beleid aan de orde is.
  • Als staatssecretarissen moeten aftreden, slepen ze volgens de Nederlandse parlementaire traditie hun minister niet mee in hun val. Omgekeerd neemt bij het aftreden van een minister de staatssecretaris ook ontslag.

 

STAATSCOMMISSIE PARLEMENTAIR STELSEL BEPLEIT MEER PARTICIPATIE

In het eindrapport Lage Drempels, hoge dijken van de Staatscommissie Parlementair stelsel schrijven Remkes c.s. dat niet iedereen in Nederland zich vertegenwoordigd voelt in ons parlementaire stelsel.

In een reactie op het rapport schrijft het kabinet het kiesstelsel aan te willen passen met een systeem waarbij de kiezer óf zijn stem uitbrengt op een partij - en daarmee op de hele kandidatenlijst - óf op een individuele kandidaat van die partij. De kans is daarmee groter dat kandidaten met voorkeurstemmen gekozen zullen worden.
Het kabinet gaat een voorstel om de Kieswet te wijzigen de komende tijd uitwerken.

In een column in Trouw van 29 juni 2019 schrijft Hans Goslinga dat hij niet veel van het voorstel verwacht. Er zijn volgens hem zaken waar de politiek zich je drukker om zou moeten maken:
De overheid kan zich beter bekommeren om de half miljoen ingezetenen die hier op basis van een verblijfsvergunning langer dan vijf jaar wonen, werken en belasting betalen, maar niet aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer mogen meedoen. De politieke historicus en staatsrechtgeleerde Joop van den Berg wierp de vraag op of je wel van algemeen kiesrecht kunt spreken als je zo'n grote groep mensen van het actieve en passieve kiesrecht uitsluit.

 

LEDENAANTALLEN POLITIEKE PARTIJEN

De leden van de politieke partijen stellen de kandidatenlijsten bij de verkiezingen vast. Het betekent dat zo'n 300 duizend leden van politieke partijen letterlijk het gezicht van de Nederlandse politiek bepalen.

De cijfers in het overzicht zijn verzameld door het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen en betreffen de ledentallen op 1 januari 2016, 2018, 2020 en 2021.
Het ledental van het FvD kon niet door de accountant worden gecontroleerd. De PVV staat niet in de lijst omdat deze partij geen leden kent.

 

PARTIJ 2016 2018 2020 2021
CDA 50.181 46.630 39.187   37.375
PvdA 46.045    45.040 41.078 40.953    
SP     41.710 36.465 32.196 31.960
SGP 29.928 30.399 29.655 29.345
D66 25.349 28.820 24.955 27.121
GroenLinks 21.188  28.429 30.438 32.685
VVD 28.391 27.692 23.907 25.035
Christen-Unie 23.398 25.071 25.234 25.495
Forum voor Democratie   - 22.884 43.716 45.322
PvdD 12.131 16.156 18.344 19.173
50plus 06.056 06.081 05.104 03.659
DENK 01.055 03.658 03.705 02.938
totaal
285.432   317.325    317.519   321.061   

 

BENOEMDE BURGEMEESTER UIT DE GRONDWET

Op 20 november 2018 is een tweederde meerderheid van de Eerste Kamer akkoord gegaan met een initiatiefwetsvoorstel van D66 om art. 131 Gw te schrappen. Dit artikel zegt dat de commissaris van de Koning en de burgemeester bij koninklijk besluit worden benoemd. De politiek kan de manier waarop de commissaris en de burgemeester worden benoemd nu via een gewone wetswijziging wijzigen.

De grondwetswijziging verandert op dit moment overigens niets aan de manier van benoeming. De huidige benoeming bij ‘koninklijk besluit’ staat namelijk ook in de Gemeentewet en de Provinciewet, terwijl in de praktijk gemeenteraden en staten via een vertrouwenscommissie de nieuwe ambtsdragers kiezen.

De coalitiefracties in de Eerste Kamer lieten in een motie vastleggen dat de burgemeester zijn relatief onafhankelijke positie moet behouden en dat hij een verbindend bestuurder van álle burgers moet blijven.
Of een rechtstreekse verkiezing in de toekomst een reële optie is, valt te bezien. Op dit moment hebben alleen D66 en de PVV zich voor de gekozen burgemeester uitgesproken.

 

RAADGEVEND REFERENDUM BLEEK VAN TIJDELIJKE AARD

Over een referendum wordt in de Nederlandse poltiek al heel lang gesproken is als belangrijke aanvulling op ons kiesstelsel. Een referendum zou kunnen zorgen voor een meer directe vorm van democratie: burgers nemen besluiten zonder tussenkomst van gekozen vertegenwoordigers.

De afgelopen jaren zijn de volgende drie referenda de revue gepasseerd:

  • Bindend referendum  Het meest vergaand is het bindend referendum. Bij een bindend referendum wordt een te nemen besluit aan de kiesgerechtigden voorgelegd en moet de politiek zich aan de uitslag van de volksraadpleging conformeren. Een tijdlang heeft het er naar uitgezien dat Nederland zo'n bindend referendum zou krijgen, want in 2014 was de meerderheid van Tweede en Eerste Kamer akkoord met het invoeren ervan.
    Omdat het een Grondwetswijziging betreft, was dit de zogeheten eerste lezing met een beslissing met een gewone meerderheid van stemmen. Een tweederde meerderheid bleek in de volgende Kamerperiode niet haalbaar en in 2017 besloten de indieners het voorstel  niet ter behandeling in te dienen.

  • Raadgevend referendum  Minder vergaand is het raadgevend referendum dat in 1 juli 2015 geregeld werd in de Wet raadgevend referendum. Daarvoor was geen grondwetswijziging nodig. De kiezer adviseert hier slechts over een wetsvoorstel en daarmee is de uitslag van het referendum niet bindend.
    Op 1 juli 2015 werd de wet formeel van kracht. Het was een kort leven beschoren. Na twee raadgevende referenda viel in 2018 het besluit om het raadgevend referendum weer in te trekken.

  • Correctief bindend referendum  Eind 2018 kwam de Staatscommissie Parlementair stelsel met haar advies een correctief bindend referendum in te voeren om de Nederlandse burger de mogelijkheid te geven achteraf iets over bepaalde wetten te zeggen. Correctief betekent dat de kiezers een wet kunnen tegenhouden die al door Tweede en Eerste Kamer is aangenomen. Om dit te bereiken moet een meerderheid bestaande uit meer dan eenderde van de kiesgerechtigden tegen de wet stemmen. \
    In 2019 dient SP-Kamerlid Ronald van Raak een initiatiefwetsvoorstel in om de Grondwet te wijzigen om het houden van een correctief referendum mogelijk te maken. Dit voorstel ligt na veel discussie weer bij de Tweede Kamer.

 

PROBLEMEN MET DE NEDERLANDSE STEMCOMPUTERS

De invoering van stemcomputers leek in Nederland rimpelloos te verlopen. Nagenoeg alle gemeenten gebruikten in 2007 stemcomputers. Niet lang daarna besloot de ministerraad echter om vanaf 2009 vooralsnog weer met het potlood te gaan stemmen.

Reden hiervoor was de discussie onder aanvoering van de actiegroep Wij vertrouwen stemcomputers niet over de manipuleerbaarheid en controleerbaarheid van stemcomputers.

Aanleiding voor het oprichten van de actiegroep was in 2006 het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken om de stemcomputers van 35 gemeenten af te keuren. Hij deed dit op basis van een onderzoek waaruit bleek dat deze computers elektromagnetische straling afgaven die tot op enkele tientallen meters afstand nog opgevangen en geanalyseerd kon worden. Hierdoor was het stemgeheim niet gewaarborgd.
De actiegroep 'Wij vertrouwen stemcomputers niet' spande vervolgens een kort geding aan om ook de andere typen te verbieden. De rechter oordeelde op 1 oktober 2007 dat de andere stemcomputers niet goedgekeurd hadden mogen worden en daarom niet bij die verkiezingen gebruikt hadden mogen worden. Deze stemcomputers bleken niet in staat om zinvolle hertellingen en controles mogelijk te maken, omdat ze de stemmen alleen softwarematig verzamelen.

Op 27 september 2007 bracht de Commissie Korthals Altes het adviesrapport Stemmen met vertrouwen aan het kabinet uit. De commissie kwam met de aanbeveling geen stemcomputers meer in te zetten en eventueel als alternatief een nieuw te ontwikkelen stemprinter te gaan gebruiken. Op zo'n apparaat brengt de kiezer dan zijn of haar stem uit, waarna de stemprinter vervolgens een papieren stembiljet produceert die in een stembus wordt gedeponeerd. Indien noodzakelijk kunnen deze stemmen ook handmatig worden geteld.
De staatssecretaris liet in een reactie op het adviesrapport weten de aanbevelingen over te nemen. Deze geavanceerde apparatuur is voorlopig nog niet beschikbaar en tot die tijd stemt Nederland vooralsnog met het rode potlood…

 

RECHTER MAG BURGERS VAN KIESRECHT UITSLUITEN

Als de rechter iemand veroordeelt tot een vrijheidsstraf van tenminste één jaar, kan hij als bijkomende straf betrokkene het kiesrecht ontnemen. Art. 54 lid 2 Gw maakt dit mogelijk. Vroeger verviel het kiesrecht van zo iemand van rechtswege, maar de Grondwet van 1983 heeft een rechterlijke uitspraak noodzakelijk gemaakt.

De rechter mag alleen tot uitsluiting van het kiesrecht besluiten bij bepaalde door de wet aangewezen misdrijven. In de praktijk zijn dit strafbare gedragingen die een ernstige aantasting van de grondslagen van ons staatsbestel inhouden. Denk aan een aanslag op een politicus of een actie om de democratie omver te werpen.
In de praktijk is deze straf al jaren niet meer opgelegd. Het gaat hier dan ook om een uiterst klein groepje gedetineerden die zijn uitgesloten. Zo waren er bij de laatste Kamerverkiezingen slechts vijf personen uitgesloten van het kiesrecht..

Vrijwel alle gedetineerden mogen dus hun stem uitbrengen bij de verkiezingen, maar de uitvoering van dit recht levert in de praktijk veel problemen op. Het is voor gedetineerden namelijk vrijwel alleen mogelijk per volmacht te stemmen, want slechts bij hoge uitzondering is in een justitiële inrichting een mobiel stembureau aanwezig. Bovendien blijven gedetineerden enige tijd ingeschreven in hun oorspronkelijke woonplaats, hetgeen een probleem zou opleveren bij bijvoorbeeld de gemeenteraadsverkiezingen.
Ook de uitoefening van het passieve kiesrecht levert zoals te verwachten voor gedetineerden nog meer praktische problemen op. Ze kunnen zich weliswaar verkiesbaar stellen, maar als ze gekozen worden, kunnen ze hun zetel niet innemen tijdens de detentie.

 

JURISPRUDENTIE

RAAD VAN STATE VERKLAART TE LAAT INGELEVERDE KANDIDATENLIJST ONGELDIG

De Kieswet zegt dat op de dag van de kandidaatstelling de kandidatenlijsten tussen 9 en 15 uur bij de voorzitter van het hoofdstembureau op het gemeentehuis moeten worden ingeleverd.

In de Limburgse gemeente Margraten ging iets helemaal fout met het inleveren van de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen op maandag 23 januari 2006. De man die de kandidatenlijst van de combinatie PvdA-D66-GroenLinks moest komen brengen, haalde drie uur niet, maar leverde de lijst om 15:13 uur op het gemeentehuis in. Hij had van tevoren nog even gebeld dat hij van een afspraak elders moest komen, kwam vervolgens in een file terecht en arriveerde bijna een kwartier te laat.
Het hoofdstembureau besliste evenwel dat er sprake was van een ‘verschoonbare termijnoverschrijding’ en verklaarde dat de lijst van PvdA-D66-GroenLinks geldig was. Tegen dit besluit ging een inwoner van Margraten op 27 januari 2006 in beroep. De zaak kwam in een spoedprocedure voor bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State die op 2 februari uitspraak deed.

De Raad van State stelde vast dat de lijst van PvdA-D66-GroenLinks niet tussen 9 en 15 uur was ingeleverd en dat dat de lijst op grond van artikel I-5 van de Kieswet ongeldig maakte. ‘Deze bepaling is dwingend van aard en vereist strikte naleving’, aldus de Raad van State die er bovendien aan toevoegde dat nergens in de Kieswet de mogelijkheid staat om een te late indiening van kandidatenlijsten ongedaan te maken. Er kon weliswaar in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zijn van een ‘verschoonbare termijnoverschrijding’, maar daar was in Margraten geen sprake van geweest, zo had de Kiesraad desgevraagd aangegeven.
Het hoofdstembureau had ter verdediging aangevoerd dat, als de combinatie PvdA-D66-GroenLinks niet zou kunnen deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen, ‘het democratisch beginsel van evenredige vertegenwoordiging zou zijn aangetast’. De Raad van State stelde daar tegenover dat ‘de keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kieswet juist als achtergrond heeft een voor ieder gelijke eerlijke verkiezing te waarborgen’.
De Raad van State besloot het besluit van het hoofdstembureau van 26 januari 2006 te vernietigen waarmee de kandidatenlijst van PvdA-D66-GroenLinks ongeldig verklaard werd.

Bij de verkiezingen van 7 maart 2006 verloor de combinatie PvdA-D66-GroenLinks in Margraten haar twee zetels. Maar liefst 640 kiesgerechtigden besloten blanco te stemmen, de meesten ongetwijfeld omdat hun partij niet op de lijst stond.

 

RAADSVERGOEDING NIET RECHTSTREEKS NAAR POLITIEKE PARTIJ

Een SP-raadslid in de gemeente Noordoostpolder stapte naar de rechter omdat de gemeente weigerde haar raadsvergoeding op de bankrekening van de landelijke SP te storten.

Binnen de SP is het gebruikelijk dat zo’n vergoeding naar de partij gaat die vervolgens een deel ervan aan de betrokken volksvertegenwoordiger teruggeeft. Vrijwillig is zo’n afdrachtsregeling niet. Reeds bij de kandidaatstelling wordt een zogeheten cessie-overeenkomst getekend die de kandidaat daartoe t.z.t. zou verplichten. Kun je een gemeente echter verplichten om die vergoeding rechtstreeks op de partijrekening te storten?

Volgens de gemeente was de vergoeding voor het betrokken raadslid en was het in strijd met de wet om de vergoeding aan haar politieke partij te geven. Als een volksvertegenwoordiger een vergoeding niet van de overheid maar van een politieke partij ontvangt, wordt betrokkene financieel afhankelijk van de partij. De overheid zou dan meewerken aan een afhankelijkheidsrelatie tussen volksvertegenwoordiger en partij. Dat is in strijd met het uitgangspunt in het Nederlandse staatsrecht dat de volksvertegenwoordiger zonder last moet kunnen functioneren.

Op 22 februari 2017 deed de rechtbank in Utrecht uitspraak in deze zaak. De gemeente Noordoostpolder werd in het gelijk gesteld.
De rechter vond dat het betalen van de raadsvergoeding niet aan het raadslid zelf, maar aan zijn of haar politieke partij, de onafhankelijkheid van betrokkene in gevaar zou kunnen brengen. Cessieovereenkomsten vanuit een politieke partij tot overdracht van inkomen aan de partijkas zijn dan ook nietig volgens de rechter.

Verbod minister Plasterk
De uitspraak van de Utrechtse rechtbank heeft m
inister Plasterk van Binnenlandse Zaken ertoe gebracht de zogeheten afdrachtsregeling, waar de volksvertegenwoordigers van de SP gebruik van maken, in de toekomst te verbieden en de vergoedingen op de persoonlijke bankrekeningen van de betrokkenen storten. Tegenover BNN-nieuwsradio zei de minister op 7 juli 2017:
Het staat een politicus volledig vrij om een deel van zijn inkomen aan zijn partij af te staan. Wat niet mag van de rechter is dat een overheid het totale inkomen naar een landelijke politieke partij overdraagt en dat dié vervolgens bepaalt of zo'n politicus wel of geen inkomen krijgt. Dan creëer je een afhankelijkheidssituatie en dat is in strijd met het eigen mandaat dat een volksvertegenwoordiger heeft.

Nieuwe uitspraak 2021
Een vergelijkbare zaak speelde eind 2019. De provincie Noord-Holland weigerde om de maandelijkse onkostenvergoeding van een lid van Provinciale Staten aan haar politieke partij de SP over te maken. De rechtbank Noord-Holland stelde de provincie in het gelijk. Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde de uitspraak op 30 maart 2021 in hoger beroep.
Net als in 2017 werd in deze zaak de cessieovereenkomst, waarin volksvertegenwoordigers toestemming geven om hun vergoeding rechtstreeks aan de SP uit te betalen, in strijd met de openbare orde geacht. Door de cessie van de vergoeding zouden de onafhankelijkheid en het vrije mandaat van het Statenlid in gevaar kunnen komen, aldus het gerechtshof.

 

EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.

Verdrag Werking Europese Unie

  • Art. 20-22 VWEU   Opmerkelijk is dat dit artikel bepaalt dat aan iedere burger van de Europese Unie het passief en actief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen toekomt in een lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Tot dan toe kende Nederland een beperking van vijf jaar onafgebroken ingezetenschap.
    Zie ook art. 39-40 Handvest Grondrechten Europese Unie.

Europees Verdrag Rechten van de mens

  • Art. 3 Protocol EVRM: Recht op vrije, geheime verkiezingen

 

 

Uitgelicht

Het kan wéér gruwelijk mis gaan

De risico’s die tot het Toeslagenschandaal hebben geleid, zijn niet verdwenen, stelde voorzitter Van Nispen van de enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening:vast bij de presentatie van hun eindrapport Blind voor mens en recht:
De blindheid voor mensen en voor hun rechten is er nog steeds. Een indringende constatering is dan ook dat het wéér gruwelijk mis kan gaan. Dit kan morgen weer gebeuren, zo lang de overheid zich niet aan de eigen wetten houdt. Zo lang grondrechten niet worden gerespecteerd, waarborgen ontbreken en rechtsstatelijk handelen niet dagelijks in praktijk wordt gebracht. Zo lang geen invulling wordt gegeven aan macht en tegenmacht. Zo lang de staatsmachten blind blijven voor mens en recht. Zo lang blijft het risico bestaan dat mensen door overheidshandelen worden vermorzeld. Dat kan ieder van ons overkomen.

 

Bekijk oude afleveringen Uitgelicht

Nieuw verschenen

bovendeert

Bovend’Eert en Kummeling
Het Nederlandse Parlement (13e druk)

Inmiddels zijn er zeven jaar verstreken sinds staatsrechtdeskundigen Paul Bovend’Eert en Henk Kummeling de vorige druk van de klassieker Het Nederlandse Parlement verzorgden. De eerste druk verscheen in 1938.
De nieuwe dertiende druk moest op tal van punten worden aangepast. Zo hebben de Tweede en Eerste Kamer resp. in 2021 en 2023 een nieuw reglement van orde gekregen. Andere belangrijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren waren het vaststellen van gedragscodes voor Kamerleden en de ontwikkelingen in de onderlinge verhoudingen tussen Tweede en Eerste Kamer tijdens de laatste kabinetten-Rutte. Verder staan Bovend’Eert en Kummeling uiteraard ook stil bij de nasleep van de Kinderopvangtoeslagaffaire en de daaruit voortvloeiende roep om een nieuwe bestuurscultuur.
(29.03.2024)

Bekijk overzicht nieuwe boeken

Knipoog

Tusschen kapitaal en arbeid

Samuel van Houten had als Kamerlid in 1871 de degens gekruist met minister-president Thorbecke toen hij met het initiatief kwam om kinderarbeid aan banden te leggen. Als voorman van de ‘jong-liberalen’ bestreed Van Houten de opvattingen van staatsonthouding die Thorbecke en zijn generatie liberalen steeds hadden gepropageerd. In 1872 verwoordde hij zijn kritiek op Thorbecke in de brochure De staatsleer van Thorbecke:
In den strijd tusschen kapitaal en arbeid dreigt de laatste te worden onderdrukt. Bij de verdeeling van leertijd, werktijd en rusttijd worden de krachten der machinerien en de eischen der concurrentie, niet de krachten van den werkman en de eischen der ontwikkeling van hem en zijn gezin tot maatstaf gesteld.'
(13.05.24)

Bekijk oude afleveringen Knipoog